De voorbije twaalf maanden werden de kmo's niet echt geconfronteerd met een weigerachtige bankier wanneer ze om een nieuw krediet gingen vragen. Het jaarlijkse onderzoek van KeFiK (Kenniscentrum voor financiering van kmo's) naar kmo-financiering leert dat 12,9 procent van de ondervraagde bedrijven een bankkrediet geweigerd zag. Dat is minder dan in 2010 (14,8 %) en in 2009 (17,3 %). De respondenten werden vorig najaar ondervraagd. Ondanks de recessie die toen al toesloeg, hielden de financiële instellingen de portefeuille niet dicht.
...

De voorbije twaalf maanden werden de kmo's niet echt geconfronteerd met een weigerachtige bankier wanneer ze om een nieuw krediet gingen vragen. Het jaarlijkse onderzoek van KeFiK (Kenniscentrum voor financiering van kmo's) naar kmo-financiering leert dat 12,9 procent van de ondervraagde bedrijven een bankkrediet geweigerd zag. Dat is minder dan in 2010 (14,8 %) en in 2009 (17,3 %). De respondenten werden vorig najaar ondervraagd. Ondanks de recessie die toen al toesloeg, hielden de financiële instellingen de portefeuille niet dicht. Net als de voorbije jaren kwamen de kredietweigeringen vooral voor bij bedragen lager dan 25.000 euro. Het onderzoek maakt daarbij wel een onderscheid tussen kmo's met minder dan 250 werknemers en een jaaromzet lager dan 50 miljoen euro enerzijds en anderzijds de zogenaamde micro-ondernemingen met minder dan tien werknemers en een omzet kleiner dan 1 miljoen euro. Die micro-ondernemingen hadden het wel degelijk moeilijker om een krediet los te krijgen bij de bank. De weigering voor die groep liep op tot 21,1 procent. Dat is wel een stijging ten opzichte van 2010 (19,6 %), maar nog altijd minder dan de meer dan 26 procent respondenten die in 2009 op een njet botste. Bij de grotere kmo's bedroeg de weigering vorig jaar 10,7 procent van de aanvragen. Volgens Frédéric Lernoux, CEO van KeFiK, heeft dat verschil tussen micro-ondernemingen en kmo's te maken met een grotere risicoaversie bij de banken. "Er is een zekere terughoudendheid. Kleine zelfstandigen bereiden zich op een andere manier dan grotere bedrijven voor op het gesprek met de bankier", legt Lernoux uit. "Kmo's hebben hun eigen ingenieuze mathematische aanpak met allerlei ratio's, waarmee ze de bank kunnen overtuigen. En ook de kredietverstrekkers laten het dossier passeren via algoritmen en allerhande berekeningen. De impact van een moeilijkere toegang tot krediet voor kleine bedrijven heeft een niet te verwaarlozen effect op onze economie. Tenslotte telt 92 procent van de bedrijven minder dan tien werknemers." De KeFik-topman wijst er voorts op dat bankfinanciering in België zeer belangrijk blijft omdat de markt voor risicokapitaal hier nu eenmaal minder ontwikkeld is dan de markt voor kredietverlening. De banken hebben uiteenlopende redenen om geen kredieten toe te kennen. De eerste heeft te maken met strengere voorwaarden, onder andere ten gevolge van strengere voorwaarden zoals de nieuwe Basel III-regelingen (38,2 % van de weigeringen), daarna volgen het gebrek aan waarborgen (31 %) en een te laag eigen vermogen (25,9 %). De laatste reden is onvoldoende terugbetalingscapaciteit. "Die reden is weliswaar de minst belangrijke, maar het betekent wel dat het al te gemakkelijk zou zijn enkel op de banken te schieten", meent Lernoux. "De financiële gezondheid van het bedrijf zelf en het genereren van de nodige middelen om aan de verplichtingen te kunnen voldoen, blijven uiteraard cruciaal." De KeFiK-studie wijst er voorts op dat vaak een persoonlijke borgstelling als garantie wordt gevraagd. De moeilijkheid om die waarborg te geven, vormt een grote hinderpaal bij het aantrekken van bankfinanciering door kmo's, vooral voor micro-ondernemingen. KeFiK pleit er al een hele tijd voor dat banken minder een beroep doen op die vorm van waarborgregeling omdat ze zwaar op het persoonlijke vermogen van de ondernemers weegt. Lernoux wijst er ook op dat het KeFiK-onderzoek de twee zijden van de medaille toont. De aandacht mag volgens hem niet uitsluitend gaan naar de kredietweigeringen. Nog altijd 63,7 procent van de bedrijven had geen enkel probleem om een krediet af te sluiten. 8 procent van de bedrijven die weliswaar een krediet gekregen hebben, haalde zijn slag thuis na moeilijke onderhandelingen. Bankiers nemen ook een andere houding aan afhankelijk van de reden van het krediet. Gaat het om een lening voor investeringen, voor onderzoek en ontwikkeling of voor het ondersteunen van de exploitatiecyclus? "Bankiers zijn altijd sneller bereid tastbare investeringen te financieren, zoals gebouwen of materiaal en installaties", stelt Lernoux. Een opvallende vaststelling is dat 52,4 procent van de respondenten meer dan 75 procent van de financieringsbehoefte financiert met eigen middelen. Bijvoorbeeld doordat de eigenaar zelf voor een herkapitalisatie zorgt. En vooral doordat de winst steevast volledig wordt geherinvesteerd. Die percentages van financiering met eigen middelen verschillen niet significant van vorige onderzoeken. De meest gebruikte externe financieringsvormen zijn ook al jaren dezelfde: investeringskredieten, leasing, kaskrediet en straight loans. Dat laatste is een kasvoorschot dat wordt toegekend voor een bepaald bedrag en een bepaalde duur. De terugbetaling gebeurt in een keer (kapitaal en intresten) op de vervaldag. Een straight loan is minder duur dan een kaskrediet, maar de terugbetaling bij deze laatste vorm van financiering is totaal vrij. "Ook hier is er een verschil tussen micro-ondernemingen en grotere kmo's", benadrukt Lernoux. "Leasing en straight loans zijn op maat gemaakt van de iets grotere kmo en niet van de zelfstandige ondernemer met een paar werknemers. Maar ze zijn wel een stuk goedkoper dan het kaskrediet, waar de kleine zelfstandige om de hoek regelmatig een beroep op moet doen. Banken hebben wel 1000 miljard euro kunnen lenen bij de Europese Centrale Bank tegen amper 1 procent, maar via kaskrediet verschaffen ze kredieten op korte termijn en tegen 10 tot 12 procent. Dat is een gigantische bonus voor de financiële instellingen. Er is volgens mij nood aan een nieuwe externe vorm van financiering die specifiek gericht is op kleine ondernemingen." Ook al zijn er soms wat problemen, de banken komen niet als grote boeman uit de enquête. 70 procent van de bedrijven geeft de relatie met de banken een 7 op 10, al kan de doorstroming van informatie blijkbaar toch beter. Een treffend voorbeeld is de rating van de onderneming die een bank hanteert. Die rating is van cruciaal belang voor het verkrijgen van een bankkrediet, maar ook voor het bepalen van de kredietkosten. Nu blijkt uit de enquête dat 76,1 procent van de respondenten zegt geen rating te hebben (wat best mogelijk is als men geen krediet nodig heeft), niet weet of men er bij de bank een heeft of zich zelfs niet bewust is van het bestaan van zo'n rating of score. Micro-ondernemingen weten in vergelijking met grotere kmo's vaker niet of ze een rating hebben. "Niet alleen zou een bedrijf daar meer over moeten weten, het moet ook op de hoogte zijn van de criteria die de bank gebruikt bij het samenstellen van zo'n score", zegt Lernoux. "Vandaar dat we werken aan een tool die bedrijven toelaat zelf een rating te simuleren." In de soms gebrekkige informatiedoorstroming wijst Lernoux ook op het te weinig vermelden van de vele overheidsmaatregelen die bestaan om bedrijven financieel te ondersteunen. "Terwijl het aan de banken en boekhouders is om te zeggen dat zoiets bestaat." De notionele-intrestaftrek (61,1 % kent die) is de meest bekende overheidsmaatregel. De andere zijn dat een stuk minder (zie kader: Overheid: onbekend is onbemind). De adviezen die KeFik naar aanleiding van de studie geeft aan banken, bedrijven en ondernemingen zijn sinds enkele jaren steevast dezelfde. Banken kunnen om te beginnen voorzien in een betere informatiedoorstroming naar de ondernemingen. Vooral informatie over rating-scores, financieringsmaatregelen van de overheid en de praktische inhoud van Basel II en III zijn belangrijk. Bij het doorgeven van informatie over de financieringsmiddelen van de overheid kunnen belangenorganisaties als Unizo, UCM of Voka een rol spelen. Maar KeFiK vindt dat de ondernemingen zelf ook een verantwoordelijkheid te dragen hebben. Als de top van het bedrijf zelf op de hoogte is van de financiële alternatieven, dan kan ze een vergelijkende studie uitvoeren en de meest geschikte financiële optie kiezen voor de onderneming. Een professionele benadering van het management komt ook beter over bij potentiële financiers, besluit KeFiK. ALAIN MOUTON"Er is nood aan een nieuwe externe vorm van financiering die specifiek gericht is op kleine ondernemingen" Frédéric Lernoux