De terughoudendheid van landen als Groot-Brittannië en zelfs de Verenigde Staten om militair tussenbeide te komen in Syrië heeft veel te maken met het trauma dat ze hebben opgelopen na de invasie van Irak in 2003. Irak zonk daarna weg in chaos. Ook de resultaten van een andere westerse militaire interventie doen vandaag de wenkbrauwen fronsen: de NAVO-oorlog tegen Servië-Kosovo in 1999. Met als doel een genocide tegen de Kosovaarse bevolking te stoppen in wat toen nog een Servische provincie was, hebben de geallieerden de Balkanstaat toen 78 dagen lang gebombardeerd. Volgens de Franse onderzoeksjournalist Pierre Péan was het een volgens het interna...

De terughoudendheid van landen als Groot-Brittannië en zelfs de Verenigde Staten om militair tussenbeide te komen in Syrië heeft veel te maken met het trauma dat ze hebben opgelopen na de invasie van Irak in 2003. Irak zonk daarna weg in chaos. Ook de resultaten van een andere westerse militaire interventie doen vandaag de wenkbrauwen fronsen: de NAVO-oorlog tegen Servië-Kosovo in 1999. Met als doel een genocide tegen de Kosovaarse bevolking te stoppen in wat toen nog een Servische provincie was, hebben de geallieerden de Balkanstaat toen 78 dagen lang gebombardeerd. Volgens de Franse onderzoeksjournalist Pierre Péan was het een volgens het internationaal recht onwettige oorlog. In zijn jongste boek, Kosovo. Un guerre 'juste' pour un état maffieux, doet hij haarfijn uit de doeken hoe het Westen en de VS de Kosovaarse crisis totaal verkeerd hebben aangepakt met als gevolg dat het land nu in handen is van maffiabendes die miljoenen verdienen met drugshandel en met een internationale handel van organen. Om te beginnen toont Péan aan dat de aanleiding van de westerse interventie berust op selectieve verontwaardiging. De NAVO-actie kwam er na aanhoudende vervolgingen en zelfs etnische zuiveringen van de Kosovaarse minderheid in Servië. Maar Péan benadrukt dat in het voormalige Joegoslavië iedereen bloed aan de handen had: Serviërs, Kroaten en Kosovaren. Hij vindt dat de Serviërs meer gediaboliseerd werden dan anderen. Péan is geen nationalist die sympathie heeft voor de toenmalige Servische president Slobodan Milosevic. Integendeel, deze eerder linkse Franse onderzoeksjournalist verwierf internationale bekendheid toen hij in 1994 met zijn boek Une jeunesse française aantoonde dat de socialistische president François Mitterrand een collaboratieverleden had. In de Kosovocrisis wijst Péan met een beschuldigende vinger naar de toenmalige Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken, Madeleine Albright. Zij zag in Milosevic een nieuwe Hitler en beschouwde de vijanden van haar vijanden als haar vrienden. Zoals de top van het Kosovaarse bevrijdingsleger UCK. Ze zag hen als de nieuwe machthebbers in een autonoom en later onafhankelijk Kosovo. Albright had het niet voor de gematigde Kosovaarse leider Ibrahim Rugova. Maar de Amerikanen wisten zeer goed welk vlees ze in de kuip hadden met UCK. Ze hebben hun kopstukken militair opgeleid en waren toen al op de hoogte van de banden met de georganiseerde misdaad. Na de militaire interventie in Servië gaven de VS vrij spel aan de Kosovaarse milities. Het gevolg waren etnische zuiveringen tegen de Servische minderheid en tegen de Roma-zigeuners in Kosovo. Na de onafhankelijkheid van Kosovo in 2008 gingen de vervolgingen gewoon door. Ondertussen was de nieuwe staat een draaischijf geworden voor criminele activiteiten. Al in 2003 waren de Verenigde Naties op de hoogte dat vanuit Kosovo handel in menselijke organen werd georganiseerd. Het rapport dat de VN daarover opmaakte, werd zeven jaar lang doodgezwegen. Ondertussen is algemeen bekend dat Kosovo allesbehalve een stabiele democratie is. Het is het prototype van een maffiastaat. Volgens Péan het gevolg van een Amerikaanse inschattingsfout. Pierre Péan, Kosovo. Une guerre 'juste' pour un état maffieux, Fayard, 2013, 458 blz, 25 euro ALAIN MOUTON