In zijn doctoraatsonderzoek naar snelgroeiende bedrijven stootte Yannick Dillen op een merk- waardig resultaat. Een handjevol snelle groeiers had in de periode 2005-2008 nagenoeg de volledige jobcreatie bij de Vlaamse privébedrijven voor zijn rekening genomen. Dillen hanteerde de OESO-definitie van snelle groeiers: bedrijven met minstens tien werknemers die hun personeelsbestand jaarlijks met meer dan 20 procent zagen toenemen over een periode van drie jaar. In de periode 2005-2008 ging het om 583 bedrijven, die samen 35.818 banen creeerden. Dat is liefst 97,7 procent van de jobs die alle Vlaamse privébedrijven met minstens tien werknemers creëerden in die periode.
...

In zijn doctoraatsonderzoek naar snelgroeiende bedrijven stootte Yannick Dillen op een merk- waardig resultaat. Een handjevol snelle groeiers had in de periode 2005-2008 nagenoeg de volledige jobcreatie bij de Vlaamse privébedrijven voor zijn rekening genomen. Dillen hanteerde de OESO-definitie van snelle groeiers: bedrijven met minstens tien werknemers die hun personeelsbestand jaarlijks met meer dan 20 procent zagen toenemen over een periode van drie jaar. In de periode 2005-2008 ging het om 583 bedrijven, die samen 35.818 banen creeerden. Dat is liefst 97,7 procent van de jobs die alle Vlaamse privébedrijven met minstens tien werknemers creëerden in die periode. "Onlogisch is dat niet", erkent Dillen. "Snelle groeiers hebben vele handen nodig en zorgen dus voor flink wat werkgelegenheid. Maar de omvang van het effect is verrassend." In de periode 2008-2011, in volle crisis, deden de snelle groeiers nog straffer. Met z'n 475 zorgden ze toen voor 28.838 jobs, terwijl de totale Vlaamse werkgelegenheid in de privésector in dezelfde periode met een paar duizend terugviel. Een klein groepje dapperen hield de Vlaamse werkgelegenheid recht tijdens de crisis. De conclusie ligt voor de hand. Wil Vlaanderen jobs, dan moet het zijn snelle groeiers koesteren. "Ze zijn het kloppend hart van de werkgelegenheid", aldus Dillen. Helaas klopt dat hart niet lang, moest Dillen vaststellen. Van de 1908 snelle groeiers tussen 2000 en 2009 konden slechts 1083, ruim de helft, het hoge tempo drie jaar lang uithouden, in de rest van de periode ging er het kalmer aan toe. Welgeteld één bedrijf kon de volledige periode uitdoen met het etiket snelle groeier op de rug. Niet alleen snelle groei in termen van jobs bleek tijdelijk te zijn. Dillen bekeek ook snelle groei in termen van toegevoegde waarde, en die was net zo tijdelijk. In de periode 2000-2009 realiseerden 4319 bedrijven een snelle groei van hun toegevoegde waarde. Of, in de definitie van Dillen, realiseerden een jaarlijkse groei van hun toegevoegde waarde van meer dan 20 procent over een periode van drie jaar. Opnieuw bleef het voor ruim de helft, 2449, bij die ene periode van drie jaar. Hier deden vijf bedrijven de hele rit uit als snelle groeier. Snelle groei blijkt dus al te vaak een eendagsvlieg te zijn. Dillen is volop bezig met de zoektocht naar verklaringen, en focust daarbij op de verschillen tussen de kortstondige en langdurige groeiers. Enkele tendensen zijn nu al zichtbaar. "Langdurige groeiers doen vaak aan autofinanciering", zegt Dillen. "Ze investeren hun cashflow in het bedrijf. Het vinden van kapitaal is geen rem voor hen, wel voor kortstondige groeiers." Geld is niet de enige verklaring. "Vaak zien bedrijven een gat in de markt en vullen ze dat snel op", zegt Dillen. "Daar stopt het dan. Langdurige groeiers zijn op dat moment al bezig met het zoeken naar nieuwe kansen. Ze volgen de marktevoluties nauwgezet op, verbreden hun afzetgebied of verbeteren hun dienstverlening. Groeien is niet moeilijk in een markt met een sterk stijgende vraag, denk maar aan de zonnepanelen. De kunst is te groeien in een markt met stabiele vraag, dankzij kwalitatief personeel bijvoorbeeld, of een innovatief concept." Zelfs dan kunnen bedrijven nog op hindernissen stuiten. "Een bedrijf in groei heeft meer management nodig", zegt Dillen. "Maar de voorraad aan goeie managers is beperkt. Vindt het bedrijf niet de juiste man of vrouw, dan overwint het moeilijker de groeipijnen." Groei heeft ook een soort van automatisch remsysteem. Om te overleven heeft een bedrijf een minimale omvang nodig, die verschilt van sector tot sector. Het bedrijf zal die omvang zo snel mogelijk willen halen. Zodra die omvang bereikt is, ebt de ambitie weg. Snelle groei is geen kwestie meer van leven of dood. De afhankelijkheid van tijdelijke groeiers maakt de Vlaamse economie kwetsbaar. Om de jobmotor aan de praat te houden, moeten telkens nieuwe groeiers opstaan. Om die kwetsbaarheid te verminderen, moet het aantal snelle groeiers omhoog. Dat kan door bedrijven met groeipotentieel in een vroeg stadium op te sporen en te begeleiden. Of door bestaande snelle groeiers te helpen het tempo langer vol te houden. "Je kan snelle groeiers bijvoorbeeld bijstaan bij de uitbouw van hun innovatie", zegt Dillen. "Bij veel snelle groeiers is onderzoek & ontwikkeling verweven met de persoon van de baas, er is geen aparte afdeling voor. Innovatie zou geformaliseerd moeten worden." Ook ervaringsuitwisseling kan helpen om snelle groei om te zetten in langdurige groei. "Organiseer groepsbijeenkomsten voor snelle groeiers", adviseert Dillen. "Daar kunnen ze leren van elkaar, of luisteren naar goede raad van experts of ervaren bedrijfsleiders." Dillen krijgt wetenschappelijke begeleiding van de Universiteit Antwerpen. De financiering komt voor de helft van het IWT (Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie). De andere helft komt van Voka - Kamer van Koophandel Antwerpen-Waasland, dat via het onderzoek snelle groeiers beter wil ondersteunen. Die ondersteuning wordt vergemakkelijkt door het feit dat snelle groeiers goed op elkaar lijken (zie kader Antwerpen boven). "Omdat de samenstelling van de groep snelle groeiers frequent verandert, zou je heterogeniteit verwachten", zegt Dillen. "Het tegendeel is waar. Leeftijd en omvang van de snelle groeiers veranderen weinig, en ook de sectoren waarin ze actief zijn, blijven ongeveer gelijk. Voor beleidsmakers of werkgeversverenigingen is dat een geruststelling. Ze hoeven hun initiatieven voor snelle groeiers niet om de haverklap aan te passen aan wisselende bedrijfsprofielen."JOZEF VANGELDER"Langdurige groeiers doen vaak aan autofinanciering" Yannick Dillen