Voor wie zich zonder diploma hoger secundair onderwijs aanbiedt op de arbeidsmarkt zien de jobkansen er niet aantrekkelijk uit. Volgens de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid maken de laaggeschoolden 22 procent van het arbeidsaanbod uit, terwijl zij slechts in aanmerking komen voor 9 procent van de vacatures. Onderzoeken tonen bovendien aan dat de komende jaren vooral de vraag naar hooggeschoolde arbeid zal toenemen.
...

Voor wie zich zonder diploma hoger secundair onderwijs aanbiedt op de arbeidsmarkt zien de jobkansen er niet aantrekkelijk uit. Volgens de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid maken de laaggeschoolden 22 procent van het arbeidsaanbod uit, terwijl zij slechts in aanmerking komen voor 9 procent van de vacatures. Onderzoeken tonen bovendien aan dat de komende jaren vooral de vraag naar hooggeschoolde arbeid zal toenemen. Dat betekent niet dat de situatie voor laaggeschoolden uitzichtloos is. De vraag naar laaggeschoolde of elementaire beroepen als huishoudelijke diensten en maatschappelijke dienstverlening zou de komende jaren in elk geval niet afnemen. Dat opent toch een paar perspectieven voor laaggeschoolden. Een verdere verslechtering van hun jobkansen is niet aan de orde. Een diploma is ook voor steeds meer vacatures geen absolute vereiste meer. Bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling en Beroepsopleiding (VDAB) wordt in vier op de tien aangeboden vacatures geen vereist diploma omschreven. Werkgevers zijn vooral op zoek naar mensen met de juiste attitude, de gepaste competenties en werkervaring. Maar daar knelt nu net het schoentje voor laaggeschoolden. Zij komen sneller in de werkloosheid terecht en hebben ook veel meer moeite om daarna opnieuw aan een job te raken. En dus is het voor hen moeilijker om die broodnodige werkervaring op te doen. De Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) verzamelde gegevens over de kansen van werklozen om na een jaar opnieuw aan een job te raken. Daaruit blijkt dat 34,2 procent van de personen die in het tweede kwartaal van 2011 geregistreerd waren als uitkeringsgerechtigd werkloze ten minste tijdelijk een baan hadden in de daaropvolgende twaalf maanden. Voor de laaggeschoolde werkzoekenden was dat slechts 28,2 procent, terwijl het voor de midden- en hooggeschoolden respectievelijk op 41,6 en 44,8 procent lag. De kansen van de laaggeschoolden op een job zijn nog lager als ze ouder zijn dan 55 jaar en ze langer inactief zijn. Opvallend zijn de regionale verschillen. Binnen de gewesten is de uitstroom naar een job van kortgeschoolden het laagst in Brussel en Wallonië (respectievelijk 21,2 en 24,3 %). Vlaanderen scoort beter dan het gemiddelde met een uitstroom naar werk na een jaar van 26,6 procent. En zijn al tal van rapporten geschreven over de manier waarop het probleem van de laaggeschoolden kan worden aangepakt. De aanbevelingen zijn steevast dezelfde. Er moet om te beginnen aan de bron worden gewerkt: het aantal vervroegde schoolverlaters moet naar omlaag. In 2011 behoorde 12,3 procent van de jongeren tot die groep die zonder diploma hoger middelbaar onderwijs op de arbeidsmarkt kwam. Volgens de Europa 2020-strategie moet België dat percentage doen dalen tot 9,5 procent. Van die risicogroep heeft 30 tot 40 procent na een jaar nog geen job. Bij jongeren die hoger onderwijs hebben gevolgd is dat tussen 5 en 10 procent. Daarnaast pleit het jaarverslag van de Hoge Raad voor extra investeringen in opleiding voor werklozen. Maar er is ook een zuiver financieel aspect aan de lage werkgelegenheidsgraad van laaggeschoolden, zowel aan de vraag- als aan de aanbodzijde. De voorbije jaren zijn verschillende lastenverlagingen of loonsubsidies ingevoerd om de inschakeling van vooral kwetsbare werklozen in de arbeidsmarkt te vergroten. Er is bijvoorbeeld de werkbonus, een vermindering van de persoonlijke socialezekerheidsbijdrage voor lagere inkomens. Daarbij behoudt de werknemer een hogere nettomaandwedde, zonder verhoging van het brutomaandloon. Daarnaast nam de regering activeringsmaatregelen om de indienstneming van langdurig werklozen te vergemakkelijken zoals het Activaplan (lastenverlagingen voor de werkgever) of werkhervattingstoeslagen voor werkzoekenden. In 2007 genoten 83.000 werknemers van die activeringsmaatregelen voor laaggeschoolden, in 2012 waren dat er ongeveer 110.000. België kent een uitgebreid palet aan loonsubsidies, waarvan het stelsel dienstencheques de belangrijkste is. Het aantal werknemers in het stelsel van de dienstencheques werd in 2011 op gemiddeld 100.000 geraamd. Via dat stelsel werden tal van laaggeschoolden tewerkgesteld, maar ze vertegenwoordigen wel slechts 60 procent van het personeelsbestand in het systeem, wat de concurrentie door theoretisch hogergeschoolden illustreert. Volgens het jaarverslag van de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid zijn al die maatregelen een goede zaak, maar zijn ze onvoldoende effectief omdat de Belgische minimumlonen relatief hoog zijn. Volgens het Europees statistisch bureau Eurostat bedraagt het Belgische minimumloon 1502 euro bruto per maand. Enkel in Luxemburg (1874 euro) ligt het hoger. De Hoge Raad stelt vast dat de hoge minimumlonen weliswaar voor een sterke sociale bescherming zorgen, maar dat ze tegelijk de kloof vergroten tussen de insiders (zij die een job hebben) en de outsiders (zij die op zoek zijn naar een baan). Aan de aanbodkant van de arbeidsmark is de beruchte werkloosheidsval een probleem. Die houdt in dat het aantrekkelijker is een beroep te doen op een uitkering dan te gaan werken. De voorbije vijftien jaar hebben beleidsmakers met de regelmaat van een klok benadrukt dat er wel degelijk iets gedaan wordt aan die werkloosheidsval. De cijfers spreken dat tegen, zeker voor alleenstaanden. In België bedraagt de werkloosheidsval voor die groep 90 procent, dat is het hoogste cijfer van Europa. (zie grafiek België kent hoogste werkloosheidsval). Die 90 procent houdt in dat het bijkomende netto-inkomen door de overgang van werkloosheid naar een laagbetaalde job slechts 10 procent van het extra bruto-inkomen bedraagt. Het Antwerpse Centrum voor Sociaal beleid (CSB) gaat ervan uit dat er een netto-stijging van het inkomen met 15 procent nodig is om het aanvaarden van een job aantrekkelijker te maken. Er komen immers extra kosten bij kijken zoals vervoer. Vooral wie deeltijds werkt heeft een probleem. Bij alleenstaanden zonder kinderen is de nettoloonwinst voor wie deeltijds voor het minimumloon werkt en van een hoge uitkering geniet, slechts 8 procent. Het gaat hier wel om analyses van voor de nieuwe regeling, die meer degressieve werkloosheidsuitkeringen invoert. Het is de bedoeling dat die maatregel werklozen toch sneller naar een job loodst. Het effect ervan zal wel nog een tijd op zich laten wachten. Vooral het feit dat werklozen na vier jaar terugvallen op een forfaitair bedrag als uitkering moet hen ertoe aanzetten zich niet in de werkloosheid of inactiviteit te nestelen. ALAIN MOUTONDe hoge minimumlonen zorgen voor een sterke sociale bescherming, ze vergroten tegelijk de kloof tussen zij die een job hebben en zij die op zoek zijn naar een baan.