Geen van de zeventien landen van de eurozone heeft een evenwicht of een surplus op de overheidsrekening. De eurozone staat zwaar in het rood. Volgend jaar wordt verwacht dat het globale tekort nauwelijks onder de 3 procent daalt. De gevolgen van zes jaar financiële crisis zijn nog duidelijker zichtbaar op de overheidsschuld. Die liep op tot bijna 100 procent van het bruto binnenlands product (bbp).
...

Geen van de zeventien landen van de eurozone heeft een evenwicht of een surplus op de overheidsrekening. De eurozone staat zwaar in het rood. Volgend jaar wordt verwacht dat het globale tekort nauwelijks onder de 3 procent daalt. De gevolgen van zes jaar financiële crisis zijn nog duidelijker zichtbaar op de overheidsschuld. Die liep op tot bijna 100 procent van het bruto binnenlands product (bbp). Over de oorsprong van deze schuldopbouw is voldoende geschreven. Boeiender is de mogelijke afbouw. Er zijn twee mogelijkheden: een afbouw via de creatie van surplussen of via de verhoging van de nominale groei. Ofwel wordt de teller van de schuldquote verlaagd, dan wel de noemer verhoogd. De combinatie van beide mogelijkheden is ook mogelijk, maar verandert niets aan de discussie. De verlaging van het tekort is de doelstelling van de Europese Commissie. Het noodzakelijke budgettaire toezicht is in stelling gebracht, maar het blijft wachten op een minimale herneming van de groei om verdere besparingen aan de bevolking op te leggen. Het tekort blijft te omvangrijk om te stellen dat het vanzelf smelt met een economische heropleving. Een begrotingsevenwicht tegen 2016 zal een succes zijn, zeker als de groei niet significant boven 1 procent uitkomt. Nadien voort saneren om significante surplussen op te bouwen die een wezenlijk effect hebben op de schuldafbouw, is dagdromen, tenzij de groei een stuk boven de 2 procent stijgt. Hierbij komt dat we al ettelijke jaren hebben gesaneerd, zodat iedereen saneringsmoe is. Bovendien zal in vele eurolanden de opwaartse druk van de vergrijzingskosten meer en meer voelbaar worden. De overheidsrekeningen in evenwicht houden, is al een hele budgettaire prestatie. Samengevat, van een verlaging van de schuldquote door de opbouw van surplussen zal niet veel in huis komen. Blijft dus nominale groei over. Dit proces van schuldafbouw gaat traag en vereist toch ook een belangrijke begrotingsdiscipline. Groei met begrotingstekorten verlaagt de schuldquote natuurlijk niet. Bovendien moet de nominale groei enkele procenten bedragen om een zichtbaar effect op de schuldquote te bereiken. Een schuldquote van 100 procent bedraagt na twintig jaar nog 45 procent bij 4 procent nominale groei, maar nog 67 procent bij 2 procent nominale groei. Maar vergeten we de impliciete hypothese niet: even lang mag geen tekort op de overheidsrekeningen bestaan. Is dit niet bijzonder optimistisch tegenover het gedrag van beleidsvoerders? Dus ook voor een niet al te pijnlijke oplossing voor het probleem van de overheidsschuld moeten we rekenen op een economische herleving. Een gemiddelde nominale groei van 4 procent gedurende twintig jaar houdt de terugkeer in van reële groeicijfers tussen 2 en 3 procent. Niet onmogelijk, alleen is het onduidelijk welke de motor van deze groei kan zijn. Zeker niet de overheid door de verlaging van de belastingdruk. We hebben onze twijfels bij een scenario van schuldafbouw die steunt op een sterke heropleving van de reële groei tot boven 2 procent. Blijft dan inflatie over. Sceptici, zelf omschrijven ze zich als realisten, argumenteren al sinds de start van de monetaire injecties van de centrale banken dat dit geld alleen in het economische systeem geabsorbeerd kan worden door een drastische verhoging van het prijspeil. Of dit scenario enige realiteitswaarde heeft, blijkt de komende maanden als de centrale banken starten met eerst het afzwakken van de monetaire stimuleringen en nadien met het omkeren. Moeten we niet vrezen dat de centrale bankiers te laat en onvoldoende de monetaire injecties durven te keren? Maar zelfs als inflatie de kop opsteekt, kan worden betwijfeld of dit een oplossing voor de overheidsschuld inhoudt tenzij deze onverwacht bijzonder krachtig toeslaat. Er blijft ons dan niets anders over dan te hopen op een krachtig herstel van de groei en vooruitkijken naar een lange periode van hoge overheidsschulden en een financieel aanmodderende overheid. En de rust op de financiële markten? Nog meer hopen. De auteur is professor economie aan de VUB.JEF VUCHELENOok voor een niet al te pijnlijke oplossing van de overheidsschuld moeten we rekenen op een economische herleving.