De auteur is belastingconsulent en docent aan het Limburgs Universitair Centrum en de Provinciale Hogeschool Limburg.
...

De auteur is belastingconsulent en docent aan het Limburgs Universitair Centrum en de Provinciale Hogeschool Limburg.Ironisch hoe de auto, al jarenlang het symbool van onze vrijheid, de oorzaak is van ellenlange files. Nu de queeste naar een grotere mobiliteit de allures aanneemt van de zoektocht naar de Heilige Graal, worden de meest uiteenlopende oplossingen naar voor geschoven, van betalend rijden tijdens de spits tot het inruilen van nummerplaten tegen gratis abonnementen bij De Lijn. Ook de belastinghervorming doet een duit in het zakje. In wat men omschrijft als het groene luik van de hervorming wordt een aantal maatregelen getroffen ter bevordering van het collectief vervoer. Opmerkelijk is dat de overheid niet kiest voor een politiek van ontrading. De autobestuurder wordt fiscaal ongemoeid gelaten: de bestaande aftrekregeling voor de eigen wagen wordt niet beperkt. Er komen echter wel fiscale stimuli voor het gebruik van collectief vervoer. Laat de portemonnee de klus klaren. Zo valt er sinds kort ook voor carpoolers meer te rapen. De kern van het mobiliteitsprobleem is het woon-werkverkeer. Om dat in kaart te brengen, diende de regering onlangs een wetsontwerp in dat ondernemingen met meer dan honderd werknemers verplicht om de woon-werkverplaatsingen van hun werknemers driejaarlijks aan de overheid te rapporteren. Op die manier wil de overheid inlichtingen inwinnen over de organisatie van de arbeidstijd, de woonplaats van de werknemers, de gebruikte vervoermiddelen en de bereikbaarheid van de onderneming. Op basis van die gegevens kan dan een mobiliteitsbeheersplan worden uitgewerkt. Hoewel de diagnose dus nog niet is gesteld, is de overheid toch al met de behandeling begonnen. De carpoolende werknemer krijgt meer aftrekmogelijkheden voor zijn woon-werkverkeer, waardoor zijn belastbare inkomen verlaagt. Bovendien kan de werkgever zijn carpoolende medewerker een belastingvrij extra inkomen toekennen. Of hiermee de parkeerproblemen in de stedelijke centra zullen verschuiven naar de carpoolparkings, is nog maar de vraag. Wie zijn wagen gebruikt voor zijn verplaatsing naar het werk, kan zijn autokosten fiscaal aftrekken als beroepskosten. Een voorwaarde is wel dat die werkelijke kosten worden bewezen en dat de kosten hoger liggen dan de wettelijke forfaitaire beroepskosten die de fiscus een werknemer automatisch toekent (zie tabel). Sinds geruime tijd worden de aftrekbare kosten voor het woon-werkverkeer vastgelegd op een forfaitair bedrag van 0,15 euro per kilometer. De aftrek van 0,15 euro per kilometer werd oorspronkelijk alleen toegekend aan werknemers die hun eigen wagen gebruikten voor het woon-werkverkeer. Dat impliceerde dat de wagen ofwel eigendom van de werknemer was, of op zijn naam bij de Dienst voor Inschrijving van de Voertuigen ( DIV) ingeschreven was, of door hem gehuurd of geleasd werd, of aan hem als bedrijfswagen ter beschikking gesteld werd. Een uitbreiding bestond alleen voor de echtgenoot en de kinderen. Wanneer de echtgenoten gezamenlijk het woon-werktraject aflegden, kon slechts een van beiden aanspraak maken op het kilometerforfait van 0,15 euro. De andere moest genoegen nemen met de gewone forfaitaire kostenaftrek. Reed de belastingplichtige met een collega mee naar het werk, dan kon hij bijgevolg geen aanspraak maken op het forfait van 0,15 euro. Sinds 2001 is een en ander grondig gewijzigd. De belastinghervorming heeft het toepassingsgebied van de forfaitaire kilometeraftrek uitgebreid tot de gebruikers van andere vervoermiddelen dan de eigen wagen, zoals de gebruikers van het openbaar vervoer, fietsers en carpoolers. Ook samenrijdende echtgenoten kunnen nu ieder 0,15 euro per kilometer inbrengen. Het kilometerforfait voor de andere vervoermiddelen dan de eigen wagen verschilt echter op twee vlakken van het kilometerforfait voor de eigen wagen. De toekenning van het kilometerforfait van 0,15 euro voor de andere vervoermiddelen werd aanvankelijk beperkt tot 25 kilometer, enkele rit. Deze begrenzing dempte dadelijk het enthousiasme. Het bedrag van de aftrekbare kosten kwam zo, bij 220 werkdagen per jaar, overeen met maximaal 1650 euro. Dit bedrag blijft, zoals blijkt uit de tabel, bijna altijd onder het bedrag van het normale kostenforfait. Dat is geen echte fiscale stimulans om de eigen wagen aan de kant te laten. De regering zag dit blijkbaar ook in, want al snel verhoogde ze de begrenzing van 25 kilometer tot 50 kilometer vanaf het inkomstenjaar 2002. Het kilometerforfait van 0,15 euro voor andere vervoermiddelen is geen verplichting. Bewijst de belastingplichtige hogere werkelijke kosten, dan komen die in aanmerking als aftrekbare beroepskosten. Zijn de werkelijke beroepskosten echter lager dan de kosten berekend volgens het forfait van 0,15 euro per kilometer, dan mag de belastingplichtige toch voor het hogere kilometerforfait kiezen. Een belastingplichtige die bijvoorbeeld 45 kilometer van zijn werkplaats woont en het woon-werktraject gedurende 200 dagen per jaar aflegt met het openbaar vervoer, kan 2700 euro (200 dagen x 45 kilometer x 2 x 0,15 euro) als beroepskosten voor woon-werkverkeer aftrekken, ook al betaalt hij voor zijn jaarabonnement op het openbaar vervoer slechts een fractie van dat bedrag. Zo kan je fictieve kosten aftrekken. Voorbeeld 1Nu passen we de nieuwe maatregel toe op een carpoolende werknemer. Rik woont 80 kilometer van zijn werkplaats. Hij rijdt met zijn wagen naar het werk. Iedere werkdag pikt hij zijn collega's Kris en Bert op, die respectievelijk zeventig en veertig kilometer meerijden. Dat doet hij 210 werkdagen per jaar. De meereizende collega's betalen aan Rik ieder een kilometervergoeding van 0,05 euro. Kris betaalt zo 1470 euro per jaar, Bert 840 euro. Rik kan als gebruiker van zijn eigen wagen woon-werkverkeerkosten aftrekken voor een bedrag van 5040 euro (80 kilometer x 2 x 210 dagen x 0,15 euro). De vergoeding die hij van zijn collega's krijgt, is belastingvrij. Kris kan als gebruiker van een ander vervoermiddel dan de eigen wagen woon-werkverkeerkosten aftrekken voor een bedrag van 3150 euro (50 kilometer (maximumgrens) x 2 x 210 dagen x 0,15 euro), ook al kost het vervoer hem slechts 1470 euro. Bert kan 2520 euro aftrekken (40 kilometer x 2 x 210 dagen x 0,15 euro), terwijl hij maar 840 euro betaalt. Zelfs als Kris en Bert gratis meereizen met Rik, verandert dat niets aan het bedrag van de kosten die zij kunnen aftrekken. Hoewel het vervoer Kris en Bert dan niets kost, behalve tijd, kunnen zij beiden een aanzienlijk bedrag aftrekken en jaarlijks een belastingbesparing realiseren van samen 2835 euro. Tijd is geld! Als Rik met een bedrijfswagen rijdt in plaats van met zijn eigen wagen, wijzigt dat niets aan deze fiscale regeling. Ook dan kunnen Rik, Kris en Bert de autokosten voor dezelfde bedragen inbrengen. Rik wordt echter wel belast op een voordeel van alle aard. Het volstaat echter niet om alleen het rijgedrag van de werknemer te beïnvloeden. Ook de werkgever moet worden gesensibiliseerd. Sinds 2002 kan een werkgever de kosten van het collectief vervoer van personeelsleden voor maar liefst 120 % aftrekken. De voorwaarde is dat hij dit vervoer organiseert met minibussen, autocars of autobussen. Bovendien heeft hij sinds 2001 de mogelijkheid om de personeelsleden die gebruikmaken van dat georganiseerde collectieve vervoer, een bijkomend belastingvrij inkomen toe te kennen. In dat geval worden niet alleen bussen of autocars als collectief vervoermiddel beschouwd, maar elk vervoermiddel dat minstens twee personeelsleden kan vervoeren. Hier vinden we onze carpoolers weer terug. De vergoeding die de werkgever betaalt aan zijn werknemer voor de woon-werkverplaatsingen met zo'n collectief vervoermiddel, wordt van belasting vrijgesteld tot maximaal de prijs van een treinabonnement eerste klasse voor dezelfde afstand (in plaats van de gebruikelijke vrijstelling van 150 euro). Als referentie gelden de tarieven van de weektreinkaarten. Die worden jaarlijks gepubliceerd door de NMBS, onder meer op de website. Het lucratieve van deze vrijstelling schuilt in het feit dat de vergoeding die de werkgever betaalt aan zijn werknemer, geen terugbetaling moet zijn van werkelijke kosten die de werknemer oploopt. Alle vergoedingen die betrekking hebben op het woon-werkverkeer mogen in aanmerking worden genomen voor de vrijstelling. Voorbeeld 2We passen deze vrijstellingsregeling toe op onze carpoolende werknemers, Rik, Kris en Bert. Als de werkgever de carpooling organiseert, kan hij het drietal een belastingvrije vergoeding toekennen. Rik carpoolt met Kris gedurende 210 dagen per jaar en het gezamenlijk afgelegde traject bedraagt 70 kilometer, enkele rit. De prijs van een weektreinkaart voor een afstand van 70 kilometer bedraagt 56 euro. Rik en Kris ontvangen elk een belastingvrije vergoeding van maximaal 2352 euro per jaar (42 weken x 56 euro). Voor Bert bedraagt de belastingvrije vergoeding maximaal 1743 euro (42 weken x 41,50 euro). Stel nu dat Rik niet met zijn eigen wagen, maar met een bedrijfswagen zou rijden. De werkgever betaalt dus geen vergoedingen, hij stelt een bedrijfswagen ter beschikking als collectief vervoermiddel. Het voor Rik belastbare voordeel van alle aard wordt volledig van belasting vrijgesteld voor het gezamenlijk afgelegde woon-werktraject (70 kilometer van in totaal 80 kilometer, enkele rit). Voor Kris en Bert is het voordeel van het gratis vervoer dan een vrijgesteld sociaal voordeel. Eén smet op al dat moois is dat de vrijstelling alleen geldt als de werknemer aanspraak maakt op het wettelijk kostenforfait (met uitzondering van de vrijstelling als sociaal voordeel van het gratis vervoer). Bewijst de werknemer de autokosten voor het woon-werkverkeer, brengt hij met andere woorden 0,15 euro per kilometer in, dan kan hij de vrijstelling niet genieten. Het wordt dus wikken en wegen: of de aftrek van 0,15 euro per kilometer of een belastingvrije vergoeding, respectievelijk belastingvrij voordeel. De fiscale snoepjes mogen niet worden gecumuleerd. De vraag is nu of de maatregelen wel het beoogde effect zullen hebben. Niet alleen is de regeling nodeloos ingewikkeld, bovendien is de toepassing ervan nagenoeg oncontroleerbaar. Ten eerste zit de werkgever met een enorme administratieve last om alle carpoolgegevens te verwerken. Wie wordt waar opgepikt? Met welk voertuig? Op welke dagen? Voorts is het aan de nu al drukbezette belastingambtenaar om al deze gegevens te verifiëren. Het zou niet de eerste keer zijn dat de belastingplichtige zijn voordeel doet met een belastingadministratie die verstrikt raakt in de eigen reglementering. Mogelijk ontdekken de carpoolers in hun wagenpark dan toch een fiscaal pretpark. Jef WellensDe carpoolende werknemer krijgt meer aftrek-mogelijkheden voor zijn woon-werkverkeer, waardoor zijn belastbare inkomen verlaagt.De werkgever kan zijn carpoolende medewerker een belastingvrij extra inkomen toekennen.Ook samen-rijdende echtgenoten kunnen voortaan ieder 0,15 euro per kilometer inbrengen.