Hermann werkt als onderhoudsverantwoordelijke bij de verfafdeling van de Audi-fabriek in Ingolstadt. Hij verdient 3300 euro bruto per maand. Dankzij de goede resultaten van de autoproducent kan Hermann dit jaar rekenen op een bonus van 10.000 euro. Gemiddeld bedraagt de bonus bij Audi 8251 euro.
...

Hermann werkt als onderhoudsverantwoordelijke bij de verfafdeling van de Audi-fabriek in Ingolstadt. Hij verdient 3300 euro bruto per maand. Dankzij de goede resultaten van de autoproducent kan Hermann dit jaar rekenen op een bonus van 10.000 euro. Gemiddeld bedraagt de bonus bij Audi 8251 euro. Heidi werkt ook bij Audi in Ingolstadt, als uitzendkracht. Ze is technisch ge-schoold en kan rekenen op een brutoloon van 1528 euro. Haar collega's met een vaste baan en hetzelfde werk hebben recht op 2750 euro bruto. Bovendien zien de vaste medewerkers aan het einde van het jaar ook een bonus op hun bankrekening. Heidi niet. De voorbeelden van Hermann en Heidi zijn kenmerkend voor het Duitse economische model. Sommigen prijzen het de hemel in, anderen verguizen het. Critici wijzen erop dat niet alle Duitse werknemers de vruchten plukken van het economische succesverhaal gebaseerd op loonmatiging, arbeidsflexibilisering en focus op de export. Het werd in 2003 door bondskanselier Gerhard Schröder (SPD) op de sporen gezet. Vooral de vaste werknemers uit de autosector varen goed bij het Duitse exportmirakel (zie kader Chinezen verslaafd aan Duitse wagens). Na jaren van loonmatiging en stijgende productiviteit vinden de werkgevers dat ze hun medewerkers daarvoor moeten belonen. Vandaar de bonussen en winstparticipaties. Toch krijgt maar een beperkt deel van de Duitse werknemers zo'n extra. Ze worden toegekend op basis van specifieke akkoorden tussen werkgevers en vakbonden. Amper 9 procent van de bedrijven heeft zo'n overeenkomst. Voor economen het bewijs dat het Duitse groeimodel gebreken vertoont. Ze wijzen erop dat de inkomenskloof tussen de categorieën van werkenden sterk toenam en dat meer en meer Duitsers in onzekere jobs terechtkwamen. Gerhard Bosche, specialist industriële sociologie aan de universiteit van Duisburg noemt dit de "duistere kant van het Duitse mirakel". Om te beginnen geniet slechts een beperkt deel van de Duitse werknemers van bonussen en winstdeelnames. Daarnaast nam het aantal werknemers in laagbetaalde, deeltijdse, onzekere of flexibele jobs de voorbije jaren sterk toe. Het aantal flexibele en tijdelijke contracten is in twintig jaar met de helft toegenomen. Bij de -24-jarigen zelfs met 100 procent (zie grafiek Tendenzen op de Duitse arbeidsmarkt). De lonen van de tijdelijke werknemers en uitzendkrachten liggen in Duitsland ook een stuk lager dan die van voltijdse werknemers. Voorts zijn er miljoenen Duitsers die in laagbetaalde jobs terechtkomen. 8 miljoen mensen werken tegen een uurloon van minder dan 9,15 euro. 1,4 miljoen werkt voor minder dan 5 euro per uur. Al heeft een aantal economen zijn bedenkingen. Hilmar Schneider van het IZA-onderzoeksinstituut in Bonn benadrukt dat die mini-jobs meestal een tweede inkomen zijn in een gezin en dat die jobs geregeld met een uitkering worden gecombineerd. Bovendien wijzen economen erop dat een laagbetaalde job nog altijd beter is dan werkloosheid. Bij de oosterburen is een kentering aan de gang. De Duitse minister van Financiën, Wolfgang Schäuble (CDU), verdediger van de Duitse economische heilige drievuldigheid loonmatiging/arbeidsflexibiliteit, besparingen en inflatiebestrijding, verklaarde onlangs dat het tijd was om grotere loonsverhogingen toe te staan dan in andere EU-landen en dat de Duitse inflatie mocht oplopen tot 3 procent. Zo groeit de consensus om een algemeen minimumloon in te voeren. Dat was tot voor kort ondenkbaar. De vakbonden, die de voorbije jaren de politiek van loonmatiging en flexibiliteit onderschreven, hebben hun toon verhard. Eind vorig jaar werden al een paar sectorale akkoorden afgesloten met loonsverhogingen van 3 procent en meer, terwijl de inflatie toen 2,3 procent bedroeg. Reële loonstijgingen dus, dat was een hele tijd geleden. En de vakbonden blijven de druk aanhouden. Op de 1 meiviering in Stuttgart zegde Michael Sommer, het hoofd van de overkoepeling van Duitse vakbonden, de regering-Merkel de wacht aan. Hij eiste een minimumloon van 8,50 euro per uur en zei dat er een einde moest komen aan de jaren van reële looninleveringen en besparingen. De Duitse werknemers hebben meegewerkt aan het job- en exportmirakel, nu is het moment om langs de kassa te passeren. Verscheidene vakbonden bleven ondertussen de spierballen rollen, onder meer met Warnstreiks (waarschuwingsstakingen). De dienstenvakbond Ver.di en de ambtenarenbond DBB eisen forse loonsverhogingen. Met resultaat. De ambtenaren uit de laagste inkomenscategorieën kunnen voortaan rekenen op 200 euro extra per maand. De machtige Duitse metaalbond IG Metall vroeg een loonsverhoging van 6,5 procent. In Duitsland worden de salarissen onderhandeld per sector en per deelstaat. Vorige week bereikten de vakbonden en werkgevers in de deelstaat Baden-Württemberg een akkoord voor een loonsverhoging van 4,3 procent voor de metaalsector voor de periode mei 2012-april 2013. Dat is 3,97 procent op jaarbasis en een reële loonstijging van 2 procent. Het akkoord dient als basis voor de loononderhandelingen in an-dere deelstaten. Dit akkoord is van toepassing op de 800.000 werknemers in de zuidelijke deelstaat, maar in heel Duitsland zijn er 3,6 miljoen mensen in de metaalsector actief. De automobielbranche, de machinebouw en de elektronica vallen allemaal onder de metaalsector, het kloppende hart van de Duitse exportindustrie. "De vakbonden eisten 6,5 procent en de werkgevers wilden slechts gaan tot 3 procent loonsverhoging. Die 4,3 is een compromis en betekent een belangrijke reële koopkrachtverhoging", zegt Paul Soete, CEO van de Belgische technologiefederatie Agoria, die de Duitse loononderhandelingen al jaren op de voet volgt. "Opvallend is dat de richtinggevende loonakkoorden in noordelijke staten als Noord-Rijnland-Westfalen werden afgesloten. Nu is dat verschoven naar het modernere en zuidelijke deel van de Duitse industrie." Neemt Duitsland met dit akkoord definitief afstand van de politiek van loonmatiging? Soete benadrukt dat het akkoord toch rekening houdt met de grote economische onzekerheid. Zo is het een relatief kortlopend akkoord van dertien maanden. Het vorige akkoord voor 2011-2012 was 23 maanden geldig. Hier ging het wel om een loonsverhoging van 2,7 procent, waarmee de metaalsector onder inflatie bleef. De Agoria-topman ziet hier de voordelen van het Duitse sociaaloverlegmodel. "Eerst zoveel mogelijk hard werken en daarna onderhandelen om de koek te verdelen. Vakbonden en werkgevers nemen hier een gedeelde verantwoordelijkheid op zich, zowel in economisch moeilijke als in betere tijden. Daarom kunnen ze op dit moment bovenop hun lage inflatie van 2 procent ook een belangrijke loonsverhoging afspreken. Dat is heel iets anders dan ons systeem van een lineaire automatische loonindexering die volledig losstaat van economische context of verdiensten." De Belgische vakbonden zien in het Duitse loonakkoord een argument om het probleem van de Belgische loonkostenhandicap te nuanceren. De loonkosten per eenheid product (gecorrigeerd voor productiviteit) zijn in België sinds 2005 gestegen zijn met meer dan 15 procent, terwijl die bij de oosterburen met 5 procent zijn toegenomen. Nu Duitsland afstapt van de stringente loonmatiging, zal de Belgische loonkostenhandicap afnemen. Een vergelijking in de metaal- en technologiesectoren verduidelijkt dit. In België wordt in juli een indexering van 2,9 procent doorgevoerd plus een extra sectorale verhoging van 0,3 procent. Samen goed voor 3,2 procent meer loon. Op die manier stijgen de loonkosten bij ons het komende jaar ongeveer 0,8 procent minder snel dan in Duitsland. Maar Paul Soete waarschuwt voor overdreven optimisme. "Indien de Duitse werkgevers en vakbonden vanaf nu elk jaar dezelfde loonsverhoging zouden afspreken, heeft ons land bij ongewijzigd beleid nog minstens tien jaar nodig om de loonkostenhandicap weg te werken." Feit is wel dat de bijna volledige tewerkstelling in een aantal Duitse regio's voor een blijvende opwaartse druk op de lonen zorgt. Ook het pleidooi voor hogere minimumlonen staat daar niet los van. Het sociaal akkoord dat in Baden-Württemberg werd afgesloten, heeft het niet alleen over hogere lonen. Daarnaast kwamen vakbonden en werkgevers overeen om de regels voor uitzendarbeid aan te passen. Na maximaal twee jaar in hetzelfde bedrijf zou een vast contract moeten worden aangeboden. Opnieuw in de zeer belangrijke metaalsector kwamen de vakbonden en werkgevers op federaal niveau tot een akkoord om de lonen voor uitzendkrachten langzaam te verhogen. In tegenstelling tot België hebben Duitse uitzendkrachten een lager loon dan vaste werknemers. Het verschil kan soms oplopen tot 40 procent. "In België is uitzendarbeid gebaseerd op het principe dat uitzendarbeid even goed beloond moet worden als vast werk. In ruil daarvoor bestaat er een relatief grote flexibiliteit wat de duur van de uitzendcontracten betreft", zegt Jan Denys van Randstad. "In Duitsland koos men veeleer voor uitzendcontracten van onbepaalde duur, maar met lagere lonen. Dat paste in de Duitse keuze om de loonkosten laag te houden." Nu is afgesproken dat het basisloon voor de uitzendkrachten in de Duitse metaalsector na zes weken met 15 procent stijgt en na negen maanden met de helft. Het verschil tussen vast werk en flexwerk wordt zo weggewerkt. Voor de laagste inkomensgroepen betekent dat een extra van 183 tot 621 euro per maand. 240.000 van 900.000 Duitse uitzendkrachten werken in de metaalsector. Het is een kwestie van tijd voor dit loonakkoord ook in andere branches navolging krijgt. ALAIN MOUTON"Duitse vakbonden en werkgevers delen de verantwoordelijkheid, zowel in economisch moeilijke als in betere tijden" Paul Soete, Agoria Na jaren van loonmatiging en stijgende productiviteit vinden de Duitse werkgevers dat ze hun medewerkers moeten belonen, maar slechts een beperkt deel krijgt een bonus.