De hervormingen die de regering-Michel heeft doorgevoerd in de pensioenen en het SWT doen de vergrijzingskosten aanzienlijk dalen. Dat heeft het Planbureau berekend. Tegen 2060 verwacht de studie een afname van de meerkosten met 1,9 procent van het bruto binnenlands product. In vergelijking met vroegere voorspellingen zouden de extra kosten van de vergrijzing daarmee worden gehalveerd.
...

De hervormingen die de regering-Michel heeft doorgevoerd in de pensioenen en het SWT doen de vergrijzingskosten aanzienlijk dalen. Dat heeft het Planbureau berekend. Tegen 2060 verwacht de studie een afname van de meerkosten met 1,9 procent van het bruto binnenlands product. In vergelijking met vroegere voorspellingen zouden de extra kosten van de vergrijzing daarmee worden gehalveerd. Het Planbureau komt tot die conclusie op basis van verscheidene analyses. Ten eerste worden de meerkosten van de vergrijzing aangepast aan nieuwe hypotheses over de groei en de arbeidsmarkt die de Europese Commissie heeft uitgebracht. De groeivooruitzichten zijn positiever dan tot nu toe was gedacht. Een andere belangrijke factor is de evolutie van de Belgische beroepsbevolking. De Europese Commissie ziet die de komende jaren toenemen, onder meer door de migratie. Dat heeft een direct gevolg op de afhankelijkheidsratio - het aantal 65-plussers in verhouding tot de 15- tot 64-jarigen. Die verhouding zal tussen 2013 en 2060 niet toenemen met 60 procent, maar met 47 procent. Ook hervormingen van de regering-Di Rupo - zoals die van de pensioenbonus - wordt in rekening genomen. Daardoor stijgen de meerkosten van de vergrijzing tegen 2060 met 5,2 procent van het bbp in plaats van met 8 procent, zoals was voorspeld. De meeruitgaven voor pensioenen bedragen 3,3 procent van het bbp, tegenover 4,6 procent in vorige ramingen. In die cijfers is geen rekening gehouden met het effect van de hervormingen van de regering-Michel. Dat effect is ronduit indrukwekkend. De structurele maatregelen doen de vergrijzingskosten met 1,9 procent van het bbp dalen in verhouding tot vroegere projecties. In euro's van vandaag gaat het volgens het Planbureau om zo'n 8 miljard euro. Dat is een groot verschil met de hervormingen van de regering-Di Rupo, waarvan de impact op de vergrijzingskosten slechts een paar procentpunten van het bbp bedroeg. De voorspelde extra kosten van de vergrijzing dalen met meer dan de helft: van 8 procent van het bbp naar 5,2 procent door de nieuwe ramingen op basis van de cijfers van de Europese Commissie, en van 5,2 procent naar 3,3 procent van het bbp door de structurele hervormingen. De maatregelen die het Planbureau in rekening heeft genomen, zijn de verhoging van de leeftijd voor het vervroegd pensioen van 62 naar 63 jaar, het optrekken van de wettelijke pensioenleeftijd tot 66 jaar in 2025 en tot 67 jaar in 2030, strengere regels voor het brugpensioen met de verplichte beschikbaarheid van SWT'ers, het afschaffen van de pensioenbonus en het verstrengen van de diplomabonificaties voor de ambtenarenpensioenen. Tot nu toe werden de studiejaren van ambtenaren meegeteld in de berekening van hun pensioen. Dat wordt aangepast. Het Planbureau houdt ook rekening met een lichte stijging van de uitgaven voor invaliditeit, omdat bepaalde inactieven door het strengere brugpensioen en de opgetrokken pensioenleeftijd naar dat stelsel zullen wegvluchten. Een aantal structurele maatregelen van de regering is niet meegenomen in de berekening: de strengere inschakelingsuitkering en het tijdskrediet, de andere berekening van de ambtenarenpensioenen en de aanpassing van de gelijkgestelde periodes. Dat zijn de periodes van werkloosheid en inactiviteit die worden meegeteld bij de berekening van het pensioen. ALAIN MOUTON