De vaudeville rond de nachtvluchten boven Brussel en Vlaams-Brabant die weer de kop opsteekt, toont aan dat de luchthaven van Zaventem - en meer algemeen de politieke en economische situatie van Brussel en omgeving - een van de verkiezingsthema's wordt. En nu is al duidelijk dat het statuut van Brussel in zijn huidige vorm geen toekomst meer heeft. Eigenlijk zou de hoofdstad beter onder federale voogdij worden gebracht.
...

De vaudeville rond de nachtvluchten boven Brussel en Vlaams-Brabant die weer de kop opsteekt, toont aan dat de luchthaven van Zaventem - en meer algemeen de politieke en economische situatie van Brussel en omgeving - een van de verkiezingsthema's wordt. En nu is al duidelijk dat het statuut van Brussel in zijn huidige vorm geen toekomst meer heeft. Eigenlijk zou de hoofdstad beter onder federale voogdij worden gebracht. De lijst van problemen in en rond onze hoofdstad wordt steeds langer. Er is de hoge werkloosheid (25 %) en het daaraan gekoppelde onderwijssysteem. De negentien gemeenten blijven baronieën en wensen geen pottenkijkers. Ze zijn ervoor verantwoordelijk dat in de hoofdstad jarenlang een bedrijfsonvriendelijk beleid werd gevoerd. Ondernemingen die naar de rand verhuisden, zagen hun belastingen met honderdduizenden euro's dalen. Sommige beleidsbeslissingen doen zacht gezegd de wenkbrauwen fronsen. Dat Pascal Smet (SP.A) jarenlang pleitte voor de bouw van een openluchtzwembad op een bedrijfssite vlakbij de Brusselse haven en onlangs zijn slag thuishaalde, was een dieptepunt. Die gronden zouden beter worden gebruikt voor nieuwe ondernemingen die banen genereren. De conclusie is eenvoudig: de Brusselse regering kan het niet en zal het nooit kunnen. Vaak hanteren de Brusselse excellenties het argument dat de hoofdstad te weinig middelen krijgt om een coherent beleid te voeren. Dat klopt niet. Trends toonde al meermaals aan dat de hoofdstad een bonus geniet die makkelijk oploopt tot 1 miljard euro. De Franstaligen stellen bovendien dat Brussel beter zou uitbreiden, desnoods tot 31 gemeenten. Dat zou de hoofdstad meer economische ademruimte geven, omdat de pendelaars een deel van de inkomsten meenemen die in Brussel worden gegenereerd. Maar een uitbreiding is politieke sciencefiction. Studies als die van de ULB'er Henri Capron (zie blz. 18), die wijst op het grote gewicht van de rand (en in zijn ogen eigenlijk ook Brussel) in de geldstromen naar Wallonië, moeten aantonen dat de hoofdstad de bron is waar de rest van het land zich aan laaft. Men gaat bijna zo ver te stellen dat de afwezigheid van Brussel een aanzienlijke verarming voor Vlaanderen zou betekenen. De realiteit is anders: tussen de rand en Brussel bestaat er een sterke economische wisselwerking. De rand is afhankelijk van Brussel wat betreft banen, cultuur, winkels en diensten, terwijl Brussel heel afhankelijk is van de rand voor geschoolde arbeidskrachten en consumptie. Brussel leeft dus in belangrijke mate bij de gratie van de Vlamingen. Die wisselwerking is het argument bij uitstek om het beheer van Brussel op een hoger niveau te tillen en het gewest te laten besturen door de federale regering. Zij moet de middelen voor de hoofdstad toekennen en het gebruik ervan controleren. Dan kan ook een bedrijfsvriendelijk beleid worden gevoerd, dat vermijdt dat steeds meer ondernemingen de rug naar Brussel toekeren. Binnen het gewest zelf deed minister van Begroting Guy Vanhengel (Open VLD) stappen in die richting. Gemeenten die bedrijfsonvriendelijke belastingen afschaffen, kunnen voor de daardoor misgelopen inkomsten rekenen op middelen uit een zogenaamd compensatiefonds. De facto gaat het hier om het opzeggen van de gemeentelijke fiscale autonomie. Deze vorm van voogdij moet dus ook op een grotere schaal gebeuren. Een opdracht voor de volgende regering? Alain Mouton