Hoewel Stéphane Beel afstudeerde in 1980 is het wachten tot in 1984 vooraleer hij zijn eerste project realiseert. In die tussenperiode onderneemt hij onder meer een Afrika-reis en raakt daarbij onder de indruk van de Algerijnse en Marokkaanse bouwkunst. Terug in België mist hij zijn (uitgestelde) start niet. Zijn "Villa met gebogen dak", een constructie die zorgt voor meer volume op dezelfde oppervlakte, gooit meteen hoge ogen. Zo wint hij de "Internationale prijs Eternit" en krijgt hij ruime mediabelangstelling, onder meer in het vooraanstaande Italiaanse architectuurmagazine Domus. Nadien duiken de gebogen daken her en der op, maar Stéphane Beel - die het gebogen dak bij bedrijfsgebouwen in Italië had gezien - heeft er na twee huizen genoeg van. Het kenmerkt Beel, hij houdt niet van hypes en modegrillen.
...

Hoewel Stéphane Beel afstudeerde in 1980 is het wachten tot in 1984 vooraleer hij zijn eerste project realiseert. In die tussenperiode onderneemt hij onder meer een Afrika-reis en raakt daarbij onder de indruk van de Algerijnse en Marokkaanse bouwkunst. Terug in België mist hij zijn (uitgestelde) start niet. Zijn "Villa met gebogen dak", een constructie die zorgt voor meer volume op dezelfde oppervlakte, gooit meteen hoge ogen. Zo wint hij de "Internationale prijs Eternit" en krijgt hij ruime mediabelangstelling, onder meer in het vooraanstaande Italiaanse architectuurmagazine Domus. Nadien duiken de gebogen daken her en der op, maar Stéphane Beel - die het gebogen dak bij bedrijfsgebouwen in Italië had gezien - heeft er na twee huizen genoeg van. Het kenmerkt Beel, hij houdt niet van hypes en modegrillen. "Ik heb het geluk gehad meteen enige bekendheid te verwerven met mijn eerste woning," blikt hij terug op het begin van zijn carrière. "Doorbreken in België is immers niet evident. In Nederland krijgen veelbelovende architecten vaak al tijdens hun studies grote projecten aangeboden. Bij ons moet je eigenlijk bewezen hebben dat je een groot project aankunt vooraleer je eraan mag beginnen. Een absurde situatie." Na dit eerste succes volgt inderdaad al snel het grotere werk. Zo doet het Spaarkrediet een beroep op de diensten van de jonge architect voor een nieuwe provinciale zetel in Brugge en vraagt Bacob hem voor een nieuw bankkantoor in Oostende. Stéphane Beel herinnert zich deze opdracht nog zeer goed. "Toen ik daar mijn eerste schets presenteerde, waren zij zeer verwonderd, maar ook heel enthousiast. Ik had een heel andere visie over de architectuur van een bankgebouw dan zij. Volgens mij is bankieren geen geheimzinnige bezigheid die in een soort uitvergrote bankkluis moet gebeuren. Ik denk juist dat de openheid naar het publiek zeer belangrijk is. Ook voor de veiligheid, want door die openheid kan iedereen zien wat er gebeurt." Blijkbaar maakte het ontwerp ook indruk bij het topkader van Bacob want nog in datzelfde jaar wordt Stéphane Beel geïnviteerd om deel te nemen aan de wedstrijd voor het ontwerp van de Brugse provinciale zetel. Zijn inzending (in samenwerking met architect Luc Morel) komt ook als winnaar uit de bus. In het voetspoor van Walter GropiusWie denkt dat Stéphane Beel zich vervolgens gaat profileren als bankspecialist heeft het mis. Hij houdt immers van afwisseling in zijn werk. Ziekenhuizen, kantoorgebouwen, culturele centra, musea, gerechtsgebouwen en natuurlijk ook woningen en appartementen... Beel heeft het allemaal al gedaan. Hij beperkt zich trouwens niet tot gebouwen. Zo ontwierp hij een mobiele studio voor de (toenmalige) BRT en ook de beursstand van Bacob voor Batibouw (in samenwerking met Lieven Achtergael) is van zijn hand. Nog verder verwijderd van het traditionele architectenwerk is zijn theeservies-ontwerp voor de firma Rosenthal. In 1993 organiseerde deze bekende Duitse porseleinfabrikant een wedstrijd ter ere van Bauhaus-architect Walter Gropius. Deze had in de jaren zestig ook een theeservies ontworpen voor Rosenthal. Stéphane Beel won de wedstrijd, maar Rosenthal ging tot op heden niet over tot productie. Een van zijn meest recente opdrachten is de herinrichting en reorganisatie van de Antwerpse Stadsmusea. Dat men voor een reorganisatie-opdracht bij Beel terechtkomt, is wellicht geen toeval. Stéphane Beel gelooft immers sterk in architectuur als organiserende activiteit. Goede architectuur biedt mogelijkheden tot interactie en geeft antwoord op functionele en rationele eisen, zo stelt hij.Zijn ontvangstpaviljoen (in aanbouw) voor het Rubenshuis valt evenwel niet bij elke sinjoor in goede aarde. "Het moderne gebouw ontneemt het zicht op het historische pand," is een veelgehoorde kritiek. "Die mensen zijn blijkbaar al vergeten dat de bomen die er vroeger stonden het zicht op het gebouw nog meer beperkten," countert Beel. En de oude inkom deed ook afbreuk aan de historische realiteit van het gebouw, stelt hij. "Dit museum moet je niet zozeer bezoeken voor de werken van Rubens, daarvoor ga je beter naar de Kathedraal of het Prado, maar wel om een inzicht te krijgen in het leven van de kunstenaar. Rubens was kunstenaar en diplomaat en er kwamen veel belangrijke mensen over de vloer. Om je in die sfeer in te leven, is het noodzakelijk het museum te betreden langs de inkom waar ook Rubens zijn gasten binnenleidde. Terzelfdertijd gaan de bezoekers het gebouw ook gestructureerder ervaren en hebben we door het ontvangstgedeelte naar buiten te brengen ook museale ruimte bij gecreëerd."Aandacht voor de gebruiker"Een kritische vormgever van de ruimte," omschrijft Stéphane Beel de rol van de architect. Dat kritische begint bij de benadering van de opgave. "Een opdracht blindelings uitvoeren is oninteressant. De opdrachtgever is een specialist in zijn vakgebied, de architect is een specialist in architectuur. Als architect moet je dus de moed hebben om de opdracht in vraag te stellen. Het is juist door confrontatie van de kennis van de bouwheer met die van de architect dat je interessante projecten krijgt." Bij het vormgeven van de ruimte verplaatst Stéphane Beel zich in de verschillende gebruikers van het gebouw.Werkplaatsen veruiterlijken voor Beel immers maar al te vaak de sleur van het werk. "Voor mij is een werkplaats een woonplaats voor het werk," zegt hij. "Je moet je daar dus ook goed voelen." Ook uit zijn argumentatie bij het ontwerp voor het nieuwe Gentse gerechtsgebouw blijkt die aandacht voor de gebruikers. "Een gerechtsgebouw heeft een heel strak relatieschema. Er is een circuit van de magistraten, van de advocaten, van de gedetineerden... daar moet je rekening mee houden bij de organisatie van de ruimten. Tegelijkertijd is het een belangrijk openbaar gebouw waar je als gewone burger bijvoorbeeld je papieren laat controleren. Daarom dat het niet mag overdonderen. Je moet de drempel verlagen, maar ook weer niet te laag maken. Het respect moet immers blijven."LAURENZ VERLEDENS