Sinds de vorming van de regering-Michel in oktober vorig jaar werd er nog amper over de zesde staatshervorming en de nieuwe financieringswet gesproken. Tot bij de recente begrotingscontrole plots bleek dat de federale overheid zo'n 750 miljoen euro minder dan gepland moet doorstorten naar de deelstaten. Vlaanderen loopt 400 miljoen euro mis, Wallonië 245 miljoen euro en het Brussels Gewest 105 miljoen euro. Al snel deed het verhaal de ronde dat deze berekening werd gemaakt door één federale ambtenaar, zowat de laatste die de financieringswet nog begrijpt. Dat beeld werd nog versterkt door de houding van de federale excellenties tijdens de persconferentie.
...

Sinds de vorming van de regering-Michel in oktober vorig jaar werd er nog amper over de zesde staatshervorming en de nieuwe financieringswet gesproken. Tot bij de recente begrotingscontrole plots bleek dat de federale overheid zo'n 750 miljoen euro minder dan gepland moet doorstorten naar de deelstaten. Vlaanderen loopt 400 miljoen euro mis, Wallonië 245 miljoen euro en het Brussels Gewest 105 miljoen euro. Al snel deed het verhaal de ronde dat deze berekening werd gemaakt door één federale ambtenaar, zowat de laatste die de financieringswet nog begrijpt. Dat beeld werd nog versterkt door de houding van de federale excellenties tijdens de persconferentie. De realiteit is minder kafkaiaans. De Leuvense econoom André Decoster, een van de kenners van de financieringswet, wees er vorige week in De Standaard op dat de deelstaten gewoon minder krijgen door de lagere economische groei. Vroeger voelden de deelstaten dat niet, omdat ze vooral via dotaties werden gefinancierd. Die dotaties volgden slechts gedeeltelijk de economische groei, terwijl de extra inkomsten van de personenbelasting volledig in de federale kas bleven. "In de nieuwe wet wordt die bonus gedeeld met de regio's. Dat is goed nieuws tijdens vette jaren, maar tijdens magere jaren moeten de regio's meer dan vroeger de budgettaire klappen mee opvangen", schrijft Decoster. Dat komt omdat de deelstaten over meer fiscale autonomie beschikken. De gewesten kunnen binnen bepaalde grenzen de tarieven van de personenbelasting bepalen en dat voor een kwart van de opbrengst (11 miljard euro). Maar meer fiscale autonomie betekent ook dat de inkomsten meer mee evolueren met de economische groei. Als de economie goed draait, komen meer middelen binnen. De vuistregel is dat als de beschikbare inkomens met 1 procent stijgen, de inkomstenbelasting met 1,25 procent toeneemt. Onder de oude financieringswet was dat niet het geval. In zijn analyse vergeet Decoster een paar zaken te vermelden. Het klopt dat de zesde staatshervorming zo'n 20 miljard euro aan uitgavenbevoegdheden overdraagt naar de deelstaten: 7,2 miljard naar de gewesten, 12,9 miljard euro naar de gemeenschappen. De fiscale autonomie van de gewesten neemt door de invoering van het stelsel van opcentiemen op de personenbelasting toe tot 77 procent van de uitgaven. Maar de gemeenschappen (bevoegd voor onderwijs, cultuur en gezondheidszorg) worden nog altijd door dotaties gefinancierd en niet door eigen belastingen van de deelstaten. Gevolg is dat de totale fiscale autonomie voor Vlaanderen (gewest én gemeenschap) met deze staatshervorming stijgt van 20,3 naar 34,2 procent. Dat is nog altijd een stuk minder dan de fiscale autonomie van steden en gemeenten. Die schommelt rond 50 procent. Ten tweede is het zo dat de deelstaten, los van de 750 miljoen die ze nu mislopen, toch nog altijd de factuur van de staatshervorming betalen. De zesde staatshervorming is een besparingshervorming die de federale overheid aan de deelstaten oplegt. Dat zit zo: de deelstaten krijgen extra bevoegdheden voor arbeidsmarktbeleid, kinderbijslag en gezondheidszorg. Maar de middelen voor die bevoegdheden worden slechts voor 85 procent overgeheveld. Theo Peeters, ex-topman BBL, oud-voorzitter van de Hoge Raad van Financiën en kenner van de financieringswet, analyseert dit in zijn onlangs verschenen boek Eigenzinnig in economie: "Op zich is dit niet onlogisch gezien het begrotingstekort van het federale niveau en de noodzaak een deel van deze uitgaven met geleend geld te financieren. Logischerwijze hebben de deelstaten twee opties. Ofwel besparen ze op deze uitgaven, ofwel zoeken ze extra inkomsten. Maar voor dat laatste moeten ze in hoofdzaak terugvallen op de opcentiemen op de personenbelasting waarover ze eigen zeggingskracht hebben gekregen. De druk voor belastingverhogingen wordt daarmee verlegd van het federale naar het gewestelijke niveau." Voor Peeters is dat niet zonder risico aangezien vooral de deelgebieden werk moeten maken van de investeringsuitgaven. Dat zijn uitgaven die groei en tewerkstelling versterken en de toekomstige welvaart garanderen, zoals infrastructuur, onderwijs en onderzoek en ontwikkeling. Door de factuur die ze doorgeschoven krijgen van de federale overheid, bestaat het risico dat de deelstaten moeten besparen op wat economen 'structuurversterkende uitgaven' noemen. De deelstaten moeten ook meer meebetalen aan de oplopende vergrijzingskosten, een zogenaamde solidariteitsbijdrage. De nieuwe financieringswet legt zo structurele besparingen op in de middelen die van de federale overheid naar de deelstaten verschuiven. In 2015 is dat 1,25 miljard euro, een bedrag dat vanaf 2016 wordt opgetrokken tot 2,5 miljard euro. Bovendien wordt vanaf 2017 een extra inspanning gevraagd door een aantal dotaties niet volledig te koppelen aan de economische groei. Op basis van die elementen maakten het onderzoeksinstituut Cerpe van de universiteit Namen en Dulbea (ULB) eind 2013 een onderzoek naar de financiële winnaars en verliezers van de staatshervorming. Hun berekeningen zijn nog altijd geldig. Door het overhevelen van bevoegdheden naar de deelstaten waarbij slechts 85 procent van de middelen worden overgedragen, zijn die deelstaten de grote verliezers van de zesde staatshervorming. Vlaanderen verliest tussen 1,6 en 1,7 miljard euro vanaf 2016. Tegen 2025 daalt het Vlaamse primaire saldo (verschil tussen ontvangsten en uitgaven, exclusief rentelasten) met 1,7 miljard euro of met bijna 4 procent (zie grafiek Winnaars en verliezers van de staatshervorming). De Franse gemeenschap zou 517 miljoen euro verliezen en Wallonië 316 miljoen. Het Brussels Gewest kan rekenen op een bonus van 173 miljoen euro. Het Brussels Gewest wordt wel geraakt door de besparingen die naar de deelstaten worden doorgeschoven, maar dat wordt ruimschoots gecompenseerd door de herfinanciering van Brussel. De federale overheid rijft volgens de berekeningen van Cerpe en Dulbea een bonus van 2,374 miljard euro binnen. Een nieuwe financieringswet die hierin verandering brengt, zit er de komende jaren niet aan te komen. Niet alleen is er geen politieke meerderheid voor, de meeste partijen lijken zich er ook bij te hebben neergelegd dat de wet die de geldstromen tussen overheid en deelstaten regelt te eeuwigen dage een ingewikkeld kluwen zal blijven. Alain MoutonDoor het overhevelen van bevoegdheden naar de deelstaten waarbij slechts 85 procent van de middelen wordt overgedragen, zijn de deelstaten de grote verliezers van de zesde staatshervorming.