Vorige week hield Karel Vinck, voorzitter van het Vlaams Economisch Verbond (VEV), een pleidooi om het zwaartepunt van het sociaal overleg te verleggen van het interprofessioneel niveau naar de sectoren. Dat opent de mogelijkheid - en dus geen verplichting - voor de sectoren om regionale afspraken te maken (zie ook Inside, blz. 12). Met de komst van de Economische en Monetaire Unie (EMU) kan de overheid de arbeidsmarkt niet langer rechttrekken door haar autonoom monetair of budgettair beleid, zodat het sociaal overleg een verpletterende verantwoordelijkheid krijgt, volgens Vinck. Maar dan moet dat sociaal overleg zich wel aanpassen aan de economische realiteit van vandaag, en die is: regio's en sectoren die verschillen in groei, arbeidsproductiviteit en creatie van jobs. Het lijkt alsof Vinck vooraf gebeld heeft met Freddy Heylen, professor macro-economie aan de Universiteit Gent. Want in een recente paper, "Monetaire unie en arbeidsmarkt: reflecties over loonvorming en macro-economisch beleid", schrijft Heylen nagenoeg hezelfde als wat Vinck zegt. Trends vroeg de professor om uitleg.
...

Vorige week hield Karel Vinck, voorzitter van het Vlaams Economisch Verbond (VEV), een pleidooi om het zwaartepunt van het sociaal overleg te verleggen van het interprofessioneel niveau naar de sectoren. Dat opent de mogelijkheid - en dus geen verplichting - voor de sectoren om regionale afspraken te maken (zie ook Inside, blz. 12). Met de komst van de Economische en Monetaire Unie (EMU) kan de overheid de arbeidsmarkt niet langer rechttrekken door haar autonoom monetair of budgettair beleid, zodat het sociaal overleg een verpletterende verantwoordelijkheid krijgt, volgens Vinck. Maar dan moet dat sociaal overleg zich wel aanpassen aan de economische realiteit van vandaag, en die is: regio's en sectoren die verschillen in groei, arbeidsproductiviteit en creatie van jobs. Het lijkt alsof Vinck vooraf gebeld heeft met Freddy Heylen, professor macro-economie aan de Universiteit Gent. Want in een recente paper, "Monetaire unie en arbeidsmarkt: reflecties over loonvorming en macro-economisch beleid", schrijft Heylen nagenoeg hezelfde als wat Vinck zegt. Trends vroeg de professor om uitleg. TRENDS. Waarom pas nu, met de komst van de euro, pleiten voor een decentralisering van het loonoverleg? Die economische verschillen tussen regio's en sectoren bestaan toch al veel langer? FREDDY HEYLEN (UNIVERSITEIT GENT). Inderdaad, in België kennen de regio's en sectoren een verschillende ontwikkeling inzake productiviteit en werkgelegenheid, en toch weerspiegelt zich dat niet in de loonevolutie. In de kledingsector bijvoorbeeld is de werkloosheid hoog, maar toch was de loongroei er niet veel lager dan in de andere sectoren. Tussen 1973 en 1991 lag de gemiddelde jaarlijkse nominale uurloonstijging van de belangrijkste sectoren tussen 7,7% en 8,2%, een te nauwe loonwaaier volgens de productiviteitsverschillen. Dat zorgt voor problemen. In de achteropblijvende sectoren stijgt de werkloosheid omdat de lonen er te snel toenemen. In de groeisectoren daarentegen wordt de tewerkstelling afgeremd omdat de lonen er te laag blijven. Dan moet u wel erg tevreden zijn met het voorstel van Karel Vinck.Ja en nee. Door zijn voorstel kunnen we af van de nauwe loonwaaier. De EMU zal de markt doorzichtiger maken, de concurrentie verscherpen en de expansiemogelijkheden van sterke regio's en sectoren vergroten. Het voorstel geeft die regio's en sectoren de mogelijkheid om met interessante lonen werknemers aan te trekken om de expansie te dragen. Zwakkere sectoren en regio's kunnen met lagere lonen de werkloosheid terugdringen. Probleem is echter dat in zwakkere sectoren de loonmatiging zou kunnen uitblijven. Er bestaat dus gevaar voor loonontsporing. Want in vele sectoren er is geen marktsanctie. Alle bedrijven zitten in hetzelfde sectoraal loonakkoord, en dat schakelt een groot stuk van de concurrentie binnen de sector uit. Voorts kunnen in alle sectoren de kosten van loonontsporing - in de vorm van werkloosheidsvergoedingen, brugpensioenen, toestaan van lastenverlichting... - afgewenteld worden op de gemeenschap.Karel Vinck heeft toch een federale loonnorm voorzien om die loonontsporing tegen te gaan?Inderdaad, maar die federale loonnorm is een contradictie, en dat is mijn grootste probleem met zijn voorstel. Hoe kun je micro-economische vrijheid geven aan sectoren, en tegelijk verwachten dat dit strookt met een macro-economische loonnorm? Je zult freeriders krijgen die zeggen: "Laat de anderen maar matigen en zorgen dat de loonnorm gehaald wordt. Als wij onze werknemers wat meer betalen, zal dat in het macro-economisch gemiddelde niet opvallen." Zo'n nationale loonnorm zal bovendien te laag liggen voor expanderende sectoren, en te hoog voor inkrimpende sectoren. Maar hoe gaat u dan, zonder federale loonnorm, de loonontsporing verhinderen?Door de sectoren de vrijheid te geven, maar hen tegelijk te responsabiliseren: door, bijvoorbeeld, kortingen op werkgeversbijdragen te laten afhangen van al of niet verantwoorde loonvorming. Of door een gemakkelijkheidsoplossing als het brugpensioen ter discussie te stellen. Je zou in het extreme geval zelfs kunnen denken aan het weigeren van de algemeen-bindendverklaring van de CAO.Vinck laat aan de sectoren de mogelijkheid om het initiatief bij de bedrijven te laten. Is overleg verfijnd tot op bedrijfsniveau niet het meest geschikt om de lonen te doen aansluiten op de productiviteit, en dus ontsporing te vermijden?Ja, maar als je tot op het bedrijfsniveau gaat, zou de loonongelijkheid wel eens sociaal onaanvaardbaar kunnen worden. Trouwens, hoe ga je overleg op bedrijfsniveau van de grond krijgen? Want in veel kmo's, die toch een groot deel van onze bedrijven uitmaken, heb je niet eens vakbonden. Maar het belangrijkste tegenargument is dat op bedrijfsniveau tewerkstelling en vorming verdwijnen uit het sociaal overleg. Want dat zijn algemeen maatschappelijke doelstellingen waar individuele werknemers in een bedrijf zich minder om bekommeren. Eigenlijk is die maatschappelijke bekommernis ook al afgezwakt op sectoraal niveau, wat spijtig is. Alleen in het nationaal overleg vind je dat nog terug.Tot zover overleg op sectoraal of bedrijfsniveau. Gaan we ook naar regionaal overleg?Al bij al is dat de bedoeling van het VEV, vermoed ik. Sectoraal overleg moet daartoe de weg openen. In zijn toespraak zei Vinck letterlijk: "De sectorale akkoorden kunnen veel nauwer inspelen op de regionale specificiteit." Op zich is met regionaal loonoverleg niks verkeerds. Zoals ik zei, lonen die verschillen in sectorale en regionale productiviteit weerspiegelen, zijn goed voor de tewerkstelling. Maar ik onderstreep: met loondifferentiatie alleen zijn de problemen in de zwakkere sectoren en regio's niet opgelost. Je moet ook maatregelen nemen om de lage productiviteit in die sectoren en regio's te verhogen: overheidsinvesteringen in infrastructuur, reconversie, vorming en scholing... Zo vinden de zwakkere regio's aansluiting bij de sterkere, en dat is minstens zo belangrijk als loondifferentiatie. Als je daar bovenop een ondersteunend macro-economisch vraagbeleid voert, ben je al een heel eind op weg om de werkloosheid in te dijken. Maar tewerkstelling zal de anti-inflatoire hardliners van de Europese Centrale Bank een zorg wezen. JOZEF VANGELDER