De federale regering heeft de begrotingscontrole voor 2015 sneller afgerond dan verwacht. De deadline was Pasen, maar het werk was bijna een week vroeger klaar. De Zweedse coalitie vond gemakkelijk de noodzakelijke 1,2 miljard euro om de begroting op koers te houden. Ze slaagde er zelfs in buffers aan te leggen en middelen vrij te maken voor nieuw beleid, zoals een eenmalige investering van 200 miljoen euro voor veiligheid en justitie. Er waren enkele meevallers. Zo zijn er 130 miljoen euro meer inkomsten, omdat het Planbureau voor 2015 een groei van 1,2 procent verwacht in plaats van 1 procent. De regering rekent ook op 750 miljoen euro aan middelen die door een herberekening van de financieringswet niet naar de deelstaten worden doorgesluisd. De helft, 375 miljoen euro, wordt als buffer aangelegd.
...

De federale regering heeft de begrotingscontrole voor 2015 sneller afgerond dan verwacht. De deadline was Pasen, maar het werk was bijna een week vroeger klaar. De Zweedse coalitie vond gemakkelijk de noodzakelijke 1,2 miljard euro om de begroting op koers te houden. Ze slaagde er zelfs in buffers aan te leggen en middelen vrij te maken voor nieuw beleid, zoals een eenmalige investering van 200 miljoen euro voor veiligheid en justitie. Er waren enkele meevallers. Zo zijn er 130 miljoen euro meer inkomsten, omdat het Planbureau voor 2015 een groei van 1,2 procent verwacht in plaats van 1 procent. De regering rekent ook op 750 miljoen euro aan middelen die door een herberekening van de financieringswet niet naar de deelstaten worden doorgesluisd. De helft, 375 miljoen euro, wordt als buffer aangelegd. Deze begrotingscontrole bestaat daarnaast voor 230 miljoen uit structurele inkomsten, onder meer uit de strijd tegen de fiscale fraude (100 miljoen euro), het vervroegd invoeren van de kaaimantaks (50 miljoen euro) en een diamantbelasting. Aan de uitgavenkant zijn besparingen bij de ziekenfondsen gepland (20 miljoen euro) en moet de strijd tegen sociale fraude de uitgaven met 60 miljoen euro doen dalen. De begrotingscontrole was geen harde noot om te kraken, maar dat wil niet zeggen dat de regering-Michel het zwaarste werk achter de rug heeft. De Hoge Raad van Financiën is duidelijk: de Europese Commissie verwacht dat de sanering van de overheidsfinanciën in hetzelfde tempo wordt voortgezet, om in 2018 uit te komen op een begrotingsevenwicht. Dat moet in elk geval structureel zijn en, als de conjunctuur meevalt, nominaal (zie grafiek Naar een begrotingsevenwicht in 2018). Een structurele sanering houdt in dat het begrotingstekort verbetert zonder eenmalige maatregelen en zonder het positieve effect van een aantrekkende economische groei. Om tegen 2018 een begrotingsevenwicht te bereiken stelt de Hoge Raad van Financiën voor het structurele begrotingssaldo jaarlijks met 0,7 procent te verbeteren. Dat komt neer op 2,8 miljard euro. Alle overheden moeten die inspanning leveren, maar het gros moet door de federale regering worden gerealiseerd: jaarlijks 0,6 procent van het bruto binnenlands product (bbp) of 2,4 miljard euro. De deelstaten moeten telkens op zoek naar 400 miljoen euro. Dat wordt een hele klus. Nog voor de begrotingscontrole werd in een aantal politieke hoofdkwartieren nerveus gereageerd op het perspectief van aanhoudende besparingen. CD&V-voorzitter Wouter Beke verklaarde dat er geen ruimte meer is om in de sociale zekerheid verder te besparen. Moet de regering dan op zoek naar nieuwe belastingen? Met een belastingdruk van zo'n 45 procent van het bbp -- het hoogste percentage in Europa, na Denemarken -- is daar weinig ruimte voor. En de taxshift, waar de regering-Michel zich na de paasvakantie over buigt, mag geen taxlift worden: elke nieuwe belasting -- bijvoorbeeld op vermogen of consumptie -- moet worden gecompenseerd door een lagere belasting op arbeid. Economen zijn dan ook unaniem: de verdere sanering van de overheidsfinanciën moet aan de uitgavenkant gebeuren, temeer omdat die uitgaven de voorbije jaren ontspoord zijn (zie grafiek Overheidsuitgaven op hoogste niveau). "Ik vind het vrij hallucinant te beweren dat we niet meer kunnen besparen", zegt Bart Van Craeynest, de hoofdeconoom van Petercam. "De lopende primaire uitgaven -- de uitgaven zonder rentelasten en investeringen -- zijn sinds 2000 met 8,8 procent van het bbp gestegen, of 36 miljard euro. Een deel van die stijging is toe te schrijven aan de crisis en de toenemende pensioenuitgaven, maar dan heb je nog altijd een stijging met 4,4 procent van het bbp, of 18 miljard euro. Dat terugschroeven moet haalbaar zijn." Van Craeynest wijst erop dat vooral de sociale uitgaven de voorbije jaren sterk zijn gestegen. Daar zijn dan ook de meeste besparingen mogelijk. Cijfers uit het jaarverslag van de Nationale Bank bevestigen dat. De uitgaven voor sociale bescherming en gezondheidszorg zijn sinds de eeuwwisseling met 5 procentpunt van het bbp gestegen (zie grafiek Vooral sociale uitgaven namen toe). Van Craeynest: "In de sociale zekerheid, goed voor 40 procent van alle overheidsuitgaven, inclusief lagere overheden, zijn er nog mogelijkheden. Ik denk aan de gezondheidszorg. Professor Lieven Annemans sprak een tijd geleden van een verspilling van 15 procent. Dat zou neerkomen op een kleine 5 miljard euro. En de uitgaven voor werkloosheid in België behoren tot de hoogste van Europa." Herman Matthijs, hoogleraar overheidsfinanciën aan de VUB en de UGent, gelooft niet dat nog zomaar kan worden bespaard in de gezondheidszorg. "De vergrijzing zal steeds meer wegen. In die sector wordt ook veel duurdere technologie gebruikt. Op korte termijn kun je nieuwe inkomsten aanboren door het remgeld te verhogen. Of je kunt kiezen voor de buitenlandse aanpak: besparen door te werken met langere wachtlijsten." Volgens Matthijs moet de aandacht vooral gaan naar de pensioenuitgaven: "De regering heeft stappen in de goede richting gezet door de wettelijke pensioenleeftijd en de leeftijd voor het vervroegd pensioen op te trekken. Maar dat is niet genoeg. De pensioenen kosten nu al jaarlijks 40 miljard euro, waarvan 10 miljard voor de ambtenaren. Tegen het einde van het decennium lopen de totale kosten op tot 52 miljard. Dat is indrukwekkend." Volgens Van Craeynest kan ook op de ambtenarenpensioenen nog worden bespaard (zie grafiek Ambtenarenpensioenen wegen zwaar). De federale regering probeert die kosten wel onder controle te houden. Zo bouwt ze de zogenoemde diplomabonificatie af: anders dan voor privéwerknemers worden de studiejaren van ambtenaren meegeteld bij de berekening van het pensioen. Maar heilige huisjes zoals de perequatie (de pensioenen van ambtenaren stijgen niet alleen met de levensduurte, maar ook met de reële loonstijging van werkenden) en de lage pensioenleeftijd voor sommige ambtenaren (rijdend NMBS-personeel kan op 55 jaar met pensioen, de meeste militairen op 56) worden voorlopig niet aangepakt. Daar zijn nog miljoenen euro's te vinden. En wat met de federale begroting, die samen met de sociale zekerheid entiteit 1 vormt (de deelstaten en de lokale besturen zijn entiteit 2)? Daar hield de regering al de hand op de knip. Volgens het jongste jaarverslag van de Nationale Bank zijn de uitgaven van de federale overheid in 2014 gedaald met 0,4 procent. In 2013 waren de besparingen nog belangrijker: -1,4 procent. "Het klopt niet dat de limiet van de besparingen is bereikt", zegt Matthijs. "Wel moet je verstandig saneren. In het verleden heeft de overheid eerst bespaard op investeringen, terwijl die net nodig zijn. Ik denk dat nog kan worden gewerkt aan een administratieve vereenvoudiging. En wat te denken van de 3 miljard subsidie die de NMBS jaarlijks krijgt? Die moet zo snel mogelijk worden afgebouwd. De subsidies voor de NMBS liggen even hoog als het hele defensiebudget. Het verschil is dat het leger nog werkt, terwijl dat niet geldt voor de spoorwegen. Defensie is kapot bespaard. Daar vind je geen geld meer." Ook op andere federale departementen zoals justitie en politie is het vet van de soep. En dan blijft de sociale zekerheid de enige post om te besparen. Al is er een bonus die zelden wordt vermeld: de lage rentevoeten. Die worden meegeteld in de 0,7 procent van het bbp die jaarlijks moet worden gesaneerd. De opbrengst van de lage rentelasten wordt elk jaar op zo'n 800 miljoen gerekend (0,2 % van het bbp). Volgens de Hoge Raad van Financiën dalen de rentelasten gecumuleerd tussen 2014 en 2018 met 0,9 procent van het bbp, of 3,6 miljard euro. Dat geld kan dus worden gebruikt om de overheidsfinanciën verder gezond te maken. Van Craeynest pleit ervoor dat de regering de lessen uit het verleden leert: "Het komt erop aan de rentemeevaller niet te gebruiken voor extra uitgaven, zoals Paars heeft gedaan. Dus moet de regering focussen op het optrekken van het primaire saldo, de ontvangsten min de uitgaven zonder de rentelasten. Dat is belangrijker dan het totale begrotingssaldo." Alain Mouton