De voorbije drie weken defileerden drie sterren uit de haute littérature op deze letterkundige catwalk. Wereldster Salman Rushdie was leesbaar, al overtuigde hij niet echt. De twee Vlaamse toppers, Kristien Hemmerechts en Peter Verhelst, waren groots aangekondigd, maar het enige overdonderende aan hun nieuwe werk was de ontgoocheling. Na zoveel geworstel met de letters en de bladzijden, trokken we ons even terug met trappist in plaats van champagne. In plaats van grillige diva's, lieten we de betere pret à porter over het literaire podium schrijden. En met wie kunnen we dan...

De voorbije drie weken defileerden drie sterren uit de haute littérature op deze letterkundige catwalk. Wereldster Salman Rushdie was leesbaar, al overtuigde hij niet echt. De twee Vlaamse toppers, Kristien Hemmerechts en Peter Verhelst, waren groots aangekondigd, maar het enige overdonderende aan hun nieuwe werk was de ontgoocheling. Na zoveel geworstel met de letters en de bladzijden, trokken we ons even terug met trappist in plaats van champagne. In plaats van grillige diva's, lieten we de betere pret à porter over het literaire podium schrijden. En met wie kunnen we dan beter beginnen dan met de nieuwste roman van John Irving? De Amerikaanse meesterverteller is geen stormram à la Beuys, maar een bevlogen maître à la Permeke. Hij durft de lezer nog te entertainen, maar dan wel op een geestige en intelligente manier. In Tot ik jou vind (Bezige Bij, 832 blz., 25 euro) staat een tweevoudige Vatersuche centraal. In de jaren zestig zeult de moeder de vierjarige hoofdpersoon Jack mee op zoek naar de vader van haar kind, een zoektocht die van Toronto naar Europa (en vooral Amsterdam) leidt. De gezochte is een kerkorganist die verslaafd is aan tatoeages. Enkele decennia later herneemt Jack de zoektocht. Tussendoor passeren alle vertrouwde Irving-obsessies de revue: een niet bepaald 'gewone' seksualiteit, een vaderloze protagonist, sterke vrouwen en tragiek die geserveerd wordt in tragikomische tot groteske scènes. Het doorbraakboek De wereld volgens Garp (1978) schemert her en der door. Helemaal in topvorm is Irving niet, maar het boek blijft niet te versmaden. Dat postmoderne ironie en een stevige vertelling elkaar niet uitsluiten, bewijst Paul Auster in Brooklyn dwaasheid (Arbeiderspers, 283 blz., 18,95 euro). De New Yorker voert ook nu een parade van excentriekelingen, mislukkelingen en tragische antihelden op. De vervreemding staat centraal, uithalen naar het Amerika van Bush worden wat luk-raak uitgezaaid en net als er dan toch een happy end in aantocht lijkt, is het 8 uur 's ochtends in New York op 11 september 2001. De WTC-torens staan er nog - nog even. Zelfs schelmse portretteringen kunnen tot hun recht komen in een complexe roman. Dat bewijst de Mexicaan Jorge Volpi in Het einde van de waanzin (Bezige Bij, 415 blz., 24,90 euro). Feit en fictie versmelten in zijn odyssee van een overtuigde 68'er die gaandeweg zijn linkse idealen verliest. Ook reële tenoren uit de linkse '68-scène worden in hun hemd gezet. Wel spijtig dat Volpi zijn roman wat gratuit en dus nodeloos gecompliceerd gestructureerd heeft. Laten we afsluiten met een ingetogen maar daarom niet minder verrukkelijk kleinood van de Brit Julian Barnes. In de bundel De citroentafel (Atlas, 222 blz., 19,90 euro) brengt hij verhalen over ouder worden en de (valse) herinnering aan wat voorbij is. Barnes doet dat zonder in de val van pathos of goedkope sentimentaliteit te trappen. Luc De Decker