"I k ben in de eerste plaats een wetenschapper en geen com- merciële man," zegt Jan Cordonnier, gedelegeerd bestuurder van Chemiphar. Die bekentenis is misschien opmerkelijk voor een bedrijfsleider, maar ze verklaart voor een stuk de oprichting van Chemiphar Uganda. Het laboratorium in hartje Afrika is meer het gevolg van wetenschappelijke nieuwsgierigheid dan van een uitgekiend strategisch plan. Maar Cordonnier moest een lange calvarietocht afleggen voor zijn Afrikaanse lab van start kon.
...

"I k ben in de eerste plaats een wetenschapper en geen com- merciële man," zegt Jan Cordonnier, gedelegeerd bestuurder van Chemiphar. Die bekentenis is misschien opmerkelijk voor een bedrijfsleider, maar ze verklaart voor een stuk de oprichting van Chemiphar Uganda. Het laboratorium in hartje Afrika is meer het gevolg van wetenschappelijke nieuwsgierigheid dan van een uitgekiend strategisch plan. Maar Cordonnier moest een lange calvarietocht afleggen voor zijn Afrikaanse lab van start kon. Jan Cordonnier begon met de analytische activiteiten van Chemiphar in 1993, samen met zijn echtgenote Anne Leenesonne. Het laboratorium analyseert grond- en oppervlaktewater, maar ook voedings- en cosmetische producten. En op vraag van de parketten en onderzoeksrechters zoekt het lab naar de impact van toxische stoffen op het menselijk lichaam en naar brandversnellers in asresten. Tot midden de jaren negentig haalde Chemiphar een groot deel van zijn omzet uit zo'n onderzoek voor het gerecht. Omdat dit een delicaat werkje is, waren de commerciële perspectieven in die richting beperkt. De voedingssector bood wel mogelijkheden om te groeien, want in 1996 werd Chemiphar gevraagd om analyses uit te voeren op verse victoriabaars die uit Oeganda werd ingevoerd. De invoerders hadden echter een probleem. De analyses op salmonella en cholera die nodig waren om de vis hier te kunnen verkopen, namen vier tot vijf dagen in beslag. Het kostte handenvol geld om de vis zolang op ijsschilfers te stockeren. "Op een congres in Amerika kwam ik in contact met een bedrijf dat een test had ontwikkeld die dezelfde analyse kon uitvoeren in 24 uur," vertelt Cordonnier. "Ik heb de test hier ter goedkeuring voorgelegd aan het Instituut voor Veterinaire Keuring en binnen drie maanden konden we aan de slag. Wij waren bij de eersten in Europa om deze techniek in de voedingssector toe te passen." In 1997, op het hoogtepunt van de vistrafiek, waren er per week zo'n veertien vluchten per week naar Oostende. "We hadden het rijk voor ons alleen. Van hier werd de victoriabaars uitgevoerd naar Berlijn, Rome en Madrid. Alleen in Parijs was er een lab dat gelijkaardige tests kon uitvoeren."Maar er kwam een einde aan het succesverhaal. Concurrenten in België begonnen te werken met de nieuwe test en snoepten ladingen af. Buurtbewoners van de Oostendse luchthaven begonnen te protesteren tegen de nachtelijke visvluchten. "De doodsteek voor de visinvoer kwam in augustus 1997, toen er negen vliegtuigen zijn teruggestuurd omdat er positieve stalen in de lading zaten. Een teruggestuurd vliegtuig kostte de Oegandese traders 275.000 euro. Zij waren uiteraard in paniek."Cordonnier werd door de handelaars uitgenodigd om de visbedrijven aan het Victoriameer te bezoeken. "Ik was verrast door de hygiëne waarmee de vissers en de verwerkers hun product behandelden," zegt Cordonnier. "Alle landingsplaatsen van de vissers waren in beton gegoten." Hij mocht ook op audiëntie bij de Oegandese minister van Visserij. Die vroeg hem of hij geïnteresseerd was om een lab op te richten in de hoofdstad Kampala. Op die manier zou er alleen nog vis vertrekken die meteen goedgekeurd was voor verkoop. Cordonnier hapte toe. Nu moest er natuurlijk geld op tafel komen: 200.000 tot 225.000 euro, de aankoop van het gebouw niet meegerekend. Het leek Cordonnier haalbaar. Hij kwam bovendien in contact met Kristof De Graeve, een landbouwingenieur en al zes jaar in Kampala aan het werk voor een project van een Vlaamse ngo. "Ik heb met hem overlegd en het klikte meteen. Hij heeft hier een opleiding van zes maanden gekregen en is toen vertrokken." Cordonnier was intussen op zoek gegaan naar subsidies bij verschillende overheden: de Belgische, de Europese en de Oegandese. Aanvankelijk zag het er goed uit. Het project kon op lof rekenen van Réginald Moreels, de toenmalige staatssecretaris van Ontwikkelingssamenwerking. Maar zijn opvolger, Eddy Boutmans ( Agalev), was niet geïnteresseerd. Bij Europa vond Cordonnier wel gehoor. Hij kreeg een eenmalige subsidie van 50.000 euro voor de startfase. In Oeganda had de overheid wel interesse voor het project, maar geen geld. Chemiphar kwam ook in aanvaring met het National Bureau of Standards in Kampala, dat het enige andere lab in het land uitbaat. Door de aanwezigheid van een nieuw lab werden zij opeens op hun tekortkomingen gewezen. "Zij hebben die frustratie afgereageerd door enkele vergunningen die wij nodig hadden te blokkeren. Ik merkte ook dat we scheef werden bekeken omdat ze ons zagen als 'de blanken die de wijsheid in pacht hebben'." Toch ging het project door. Een aantal moeilijkheden met de lokale overheid werden uit de weg geruimd na bemiddeling van europarlementslid Johan Van Hecke ( VLD), die het Oegandese Presidential Office goed blijkt te kennen. En er was ook een geschikt gebouw gevonden. Chemiphar kon een oude school in Kampala tegen een billijke prijs leasen van een advocaat. In het voorjaar van 1999 begon Kristof De Graeve met de installatie van het lab. Hij voerde analysemateriaal en reagentia in uit België en wierf personeel aan. Voor die installatiekosten, waaronder het materiaal, het gebouw en de vliegtuigtickets van De Graeve, kende Export Vlaanderen een eenmalige subsidie van 15.000 euro toe. Ook met Delcredere, de verzekeraar van overzeese investeerders, waren de onderhandelingen snel rond. Alles was klaar. Maar in april 1999 gebeurde het ondenkbare. Er verscheen een kort artikel in de East-African Standard dat de dood van een kind toeschreef aan hoge concentraties pesticiden in de victoriabaars. "Op basis van dat ene artikel verbood de EU de invoer van vis uit het Victoriameer. Die beslissing is er vooral onder druk van Frankrijk gekomen, dat zo zijn eigen vissers wilde beschermen tegen het succes van de victoriabaars. De teller van onze investering stond op dat moment op 400.000 euro. Ik kreeg bijna een toeval," zegt Cordonnier. Hij toog samen met een aantal hoge Oegandese ambtenaren naar Brussel om de zaak te bepleiten bij het directoraat-generaal voor landbouw en visserij. Hij wees erop dat de hoge concentratie alleen veroorzaakt kon zijn door een criminele vergiftiging, niet door milieuverontreiniging. Een verbod was dus niet gerechtvaardigd. "Onze argumenten maakten geen indruk," zegt Cordonnier. "Het directoraat-generaal hield het been stijf. Ik moest handelen, anders was mijn hele investering verloren."De oplossing was even eenvoudig als gewaagd. Chemiphar investeerde nog eens 150.000 euro om het lab in Kampala in staat te stellen de vis te controleren op pesticiden. Met de resultaten van die tests moest de EU worden overtuigd het verbod weer op te heffen. "Bijna een jaar lang hebben we proefgedraaid. En na de inspecties en controle van de EU in juli 2000 was het zover. Er mocht weer vis worden uitgevoerd naar Europa. Een maand later was ons lab volledig operationeel en konden we ons toeleggen op ons oorspronkelijke doel: de microbiologische analyse van vis, water en andere voedingswaren." Eind 2001 behaalde het lab in Kampala de strenge kwaliteitsnorm Iso 17025. Chemiphar Uganda draaide in 2002 een omzet van bijna 400.000 euro. Het Oegandese filiaal heeft vijftien werknemers in dienst, waarvan vijf laaggeschoolden die met hun familie inwonen in het gebouw. Wouter De Broeck "Op basis van dat ene krantenartikel verbood Europa de invoer van vis uit het Victoriameer. Ik kreeg bijna een toeval."