Een lokaal netwerkje uitbouwen is niet eens zo moeilijk. Met de moderne draadloze technologieën komen er zelfs geen kabels - en dus geen breekwerk - aan te pas. Maar wifi - voluit wireless fidelity - heeft ook enkele beperkingen. Stalen constructies kunnen de signaalsterkte al wel eens parten spelen. En bovendien vergt zo'n draadloze verbinding ook een goede beveiliging, anders bent u kwetsbaar voor zogenaamde hackers.
...

Een lokaal netwerkje uitbouwen is niet eens zo moeilijk. Met de moderne draadloze technologieën komen er zelfs geen kabels - en dus geen breekwerk - aan te pas. Maar wifi - voluit wireless fidelity - heeft ook enkele beperkingen. Stalen constructies kunnen de signaalsterkte al wel eens parten spelen. En bovendien vergt zo'n draadloze verbinding ook een goede beveiliging, anders bent u kwetsbaar voor zogenaamde hackers. Kiest u liever voor niet-draadloos, maar ziet u op tegen de kabels? Geen nood, want elk huis of bedrijfsgebouw heeft een belangrijke troef: het elektriciteitsnet. Dit kluwen van draden kan namelijk fungeren als netwerk voor meerdere pc's en andere randapparatuur. Dat gebeurt volgens de zogenaamde HomePlug Powerline-standaard. Die zorgt ervoor dat ongebruikte frequentiegebieden op het stroomnetwerk worden benut om datapakketjes te verzenden. Is er een storing op een kanaal, dan schakelt de apparatuur automatisch over naar een ander. Daardoor wordt de stroomvoorziening nooit belemmerd. Hoe gebeurt dit nu in de praktijk? Allereerst moet u zich enkele HomePlug Powerline-adapters aanschaffen. Zo'n adapter verandert een stopcontact in een heuse netwerkaansluiting. Maar goedkoop is anders: voor een startkit met twee adapters betaalt u al snel 100 tot 200 euro. En elke extra adapter kost zo'n 50 à 100 euro. Bekende fabrikanten zijn Devolo, MSI, Netgear en Tornado. U doet er wel goed aan om eenzelfde merk en type te gebruiken binnen één netwerk. Zo vermijdt u compatibiliteitsproblemen. U plugt één adapter in het stopcontact. De (meestal meegeleverde) netwerkkabel verbindt u tussen de adapter en de netwerkkaart van uw pc of laptop. De andere adapters sluit u in de andere ruimtes op dezelfde manier aan. Zo kunt u niet alleen andere computers, maar ook een printer, een scanner of een internetconnectie in het netwerk opnemen. Op de aangesloten computers dient u een driver te installeren. Die biedt onder meer de mogelijkheid om een wachtwoord voor het netwerk in te stellen, zodat de verstuurde gegevens versleuteld worden. De beveiliging - de zogenaamde 56 bit-encryptie - is echter een stuk lager dan die van een draadloos netwerk. Maar dat is niet zo erg: de gegevens blijven immers - in tegenstelling tot wifi - binnen het gebouw. In theorie bedraagt de maximale snelheid van sommige adapters 85 Mbps, maar andere halen hoogstens 14 Mbps. Ter vergelijking: een gewoon netwerk haalt op papier 100 Mbps, een draadloos netwerk is goed voor 54 Mpbs. In de praktijk liggen de snelheden echter een stuk lager: Een 85 Mbps-adapter haalde in onze tests nog geen 20 Mbps, en een 14 Mbps-installatie bleek amper 5 Mbps aan te kunnen. Dat is nog altijd meer dan voldoende voor surfen en e-mailen, maar voor het versturen van grote bestanden over het netwerk is de snelheid onvoldoende. Handig is wel dat de snelheid nauwelijks afhankelijk is van de afstand tussen de verschillende adapters. Die mogen minstens 100 meter van elkaar verwijderd zijn. Tijdens onze tests merkten we wel dat niet alle stopcontacten in hetzelfde gebouw even snel bleken te werken. Bovendien bestaat de kans dat u het netwerk gewoonweg niet uitgebouwd krijgt - dat hangt onder meer af van de bekabeling. Houd er ook rekening mee dat u steeds een stopcontact dient op te offeren, waarop u dus geen andere elektrische apparaten meer kunt aansluiten. Dat kunt u wel oplossen met een stekkerdoos, maar die mag dan geen beveiliging tegen stroompieken hebben. Roel Van Espen