Als een buitenlandse investeerder naar België lonkt, kijkt hij van meet af aan ook naar de ontslagvoorwaarden. De vrijheid die hij hier heeft om dat te doen zonder toelating van een rechter, een administratie of een paritair orgaan - in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Frankrijk en Duitsland - is zonder twijfel een troef voor België. Maar er is een keerzijde: er moet betaald worden.
...

Als een buitenlandse investeerder naar België lonkt, kijkt hij van meet af aan ook naar de ontslagvoorwaarden. De vrijheid die hij hier heeft om dat te doen zonder toelating van een rechter, een administratie of een paritair orgaan - in tegenstelling tot bijvoorbeeld in Frankrijk en Duitsland - is zonder twijfel een troef voor België. Maar er is een keerzijde: er moet betaald worden. Hoeveel dan wel? "Steeds meer", luidt het antwoord van het advocatenkantoor Claeys & Engels, dat de herstructureringen geanalyseerd heeft waarbij het de voorbije tien jaar betrokken was. Daaruit blijkt dat de werkgever in 2004 nog 1,1 keer het bedrag van de formule-Claeys kon uitkeren aan bedienden die ontslagen werden. Nu is dat al 1,32 keer, een stijging met 20 procent. Voor arbeiders blijft de stijging beperkt tot 6 procent, maar dat houdt wel in dat vandaag bijna drie keer (2,78) het bedrag van de 'gewone' vergoeding wordt neergeteld (zie tabel Ontslagvergoedingen). Dat de vermenigvuldigingsfactor voor de arbeiders aanzienlijk hoger ligt dan die die toegepast wordt voor de bedienden heeft er uiteraard mee te maken dat de juridische basis voor eerstgenoemden minder gunstig is. "In de praktijk eisen de vakbonden dan ook vaak de harmonisering van de opzegtermijnen van arbeiders en bedienden", zegt Jean- Paul Lacomble, partner bij Claeys & Engels. Die drang naar harmonisering bestaat wel degelijk, maar de studie brengt een eigenaardige paradox aan het licht: het verschil in kostprijs van beide statuten wordt groter in plaats van kleiner. "De werkelijke kostprijs van een herstructurering is voor de werkgever sinds 2004 met 20 procent gestegen voor de bedienden en met slechts 6 procent voor de arbeiders", benadrukt Lacomble. "Dat komt deels omdat de sociale partners vaak overeenkomen om de harmonisering van de opzegtermijnen door te voeren door aan de arbeiders een aanvulling op de werkloosheidsvergoeding toe te kennen, waarop geen bijdragen voor de sociale zekerheid betaald moeten worden. Het resultaat is voor de begunstigden misschien identiek, maar het valt duidelijk goedkoper uit voor de werkgevers." Er is nog een andere, verrassender verklaring: de kostprijs van de brugpen- sioenen is, wat de arbeiders betreft, in feite afgenomen. "Dat komt omdat de wetgever het systeem van hoofdelijke (forfaitaire) sociale bijdragen vervangen heeft door een systeem dat gebaseerd is op percentages. De achterliggende bedoeling is de leeftijdsgrens voor het brugpensioen op te trekken: de werkgever betaalt slechts 10 procent van de sociale bijdrage op de brugpensioenen die op 60 jaar toegekend worden, maar 50 procent als het brugpensioen ingaat op 50 jaar", preciseert Lacomble. "Die nieuwe berekeningswijze heeft ervoor gezorgd dat de kostprijs van het brugpensioen voor de laagste inkomens (vaak arbeiders) daalde en voor de hoogste inkomens (vaak bedienden) steeg." "Doorgaans stellen we overigens vast dat de maatregelen om de brugpensioenleeftijd op te trekken weinig effect hebben", gaat de advocaat voort. "Sinds 2004 ligt de gemiddelde leeftijd voor brugpensioen op 54 jaar. De reden is eenvoudig: de sociale partners hebben een middel gevonden om die effecten te beperken, vooral die die het gevolg zijn van het Generatiepact van 2005." In dat pact wordt bepaald dat de leeftijd waarop brugpensioen kan worden toegekend, moet bereikt zijn op het ogenblik dat de werkgever de intentie tot herstructurering bekendmaakt en niet langer tijdens de periode (maximaal twee jaar) die volgt op de toekenning van het statuut van onderneming in moeilijkheden. Een arbeider dreigt dus voor het brugpensioen op 52 jaar de facto uit de boot te vallen als hij op het ogenblik van de aankondiging van de herstructurering 51 jaar oud was, terwijl hij er wel had kunnen van genieten onder het oude systeem. "Het was een manier om de leeftijd van het brugpensioen discreet op te trekken", zegt Lacomble. Maar wat was het resultaat? Het aantal cao's waarin de leeftijd voor brugpensioen vastgelegd werd op 50 jaar steeg in 2008 tot 49 procent van het totaal, tegenover 27 procent voor de inwerkingtreding van het Generatiepact. Omgekeerd daalde het aantal cao's dat brugpensioen op 52 jaar mogelijk maakte tijdens dezelfde periode van 43 tot amper 23 procent. Nog opvallender is dat de cao's waarin brugpensioen vanaf 50 jaar bepaald is tijdens de periode 2010-2011 hoger ligt dan in 2004: het effect van het Generatiepact werd duidelijk geneutraliseerd. "Een mentaliteit verander je niet met wetten", analyseert de advocaat. "De vakbonden stellen de brugpensioenen op prijs omdat het niet over echte ontslagen gaat. En de werkgevers spelen het spel mee omdat het negatieve imago van een herstructurering erdoor verzacht wordt en, vooral, omdat brugpensioenen hun minder kosten dan ontslagen." BENOIT JULY