De Russische president Vladimir Poetin maakt een gloriemoment mee. Met zijn aanvallen op de rebellen in Syrië ter ondersteuning van de bevriende regering-Assad toont hij dat Rusland nog altijd een militaire grootmacht is. De Verenigde Staten en Europa maken geen vuist tegen het Russische optreden in het Midden-Oosten.

Nochtans is het wantrouwen van Washington, Parijs, Londen en Berlijn groot. Dat is al jaren zo. Meer nog, volgens de Zwitserse journalist Guy Mettan hebben de westerse landen een eeuwenlange aversie tegenover Rusland. Over die spanningen tussen enerzijds de Europese landen en de VS en anderzijds Rusland heeft Mettan een goed gedocumenteerd boek geschreven. In Russie-Occident. Une guerre de mille ans gaat hij dieper in op de recente conflicten met Rusland zoals met Georgië, Tsjetsjenië of Oekraïne. Hij besteedt ook aandacht aan spanningen die in de nevelen van de geschiedenis verdwenen zijn.

En Mettan kiest partij. Zeker over de recente gebeurtenissen. Volgens hem is de opstand in Oekraïne in 2014 uitgelokt door een westerse ngo's met steun van neoconservatieve Amerikanen. Die 'neocons' wilden in Oekraïne proberen wat ze in Irak gedaan hebben, maar dan via soft power-methodes: een corrupte dictator afzetten via een opstand en in het land een liberale democratie naar Angelsaksisch model invoeren. Zo kon Oekraïne uit de Russische invloedssfeer worden getrokken. De Europese Unie stond terughoudend tegenover die destabilisering van haar oostgrens. Wat de neoconservatieve Amerikaanse onderminister voor Europa Victoria Nuland verleidde tot de uitspraak: "Naar de hel met Europa." Nuland is de echtgenote van Robert Kagan, een van de promotoren van de oorlog in Irak in 2003.

Mettan toont aan hoe chaos in Oekraïne leidde tot het aan de macht komen van een regering die banden heeft met extreemrechtse, zelfs neonazi-organisaties. Volgens de journalist koos Poetin eieren voor zijn geld door de Krim (in Oekraïne, maar met 90 procent Russen) te annexeren en daarover een referendum te organiseren. De westerse kritiek is in Mettans ogen onterecht, want de VS steunden eind jaren negentig de onafhankelijkheid van Kosovo, een Servische provincie met 90 procent Albanezen. Mettan toont ook aan dat de westerse steun aan de rebellie in Kiev ook ingaat tegen een mondelinge afspraak na de val van de Muur van Berlijn in 1989: de NAVO zou nooit proberen haar invloedssfeer uit te breiden tot in Oekraïne. Die belofte is verbroken.

De analyse van de dubbelzinnige rol van het Westen in Oekraïne overtuigt. Dat geldt niet voor de stelling van Mettan dat er een eeuwenlange aversie van Europa -- en later van de VS -- tegen Rusland bestaat. De vrees van een Russische invasie bleef beperkt tot de Koude Oorlog (1945-1989). In andere periodes zijn West-Europese landen inderdaad vaak in conflict gekomen met de VS: Duitsland tijdens de twee wereldoorlogen, Groot-Brittannië in Afghanistan in de 21ste eeuw. Maar evenzeer waren de Russen de bondgenoten van westerse mogendheden. Tijdens de Eerste en de Tweede Wereldoorlog stonden Frankrijk, Groot-Brittannië en de VS aan dezelfde kant als Rusland. Dat benadrukt Mettan in zijn boek veel te weinig.

Guy Mettan, Russie-Occident. Une guerre de mille ans, Syrtes, 2015, 486 blz., 20 euro

ALAIN MOUTON