We weten al vele jaren dat de pensioenen de komende decennia sterk zullen stijgen, maar beleidsmatig is er niet ingegrepen. Zit ons politiek stelsel daar voor iets tussen? Aan onze coalitieregeringen zijn enkele nadelen verbonden. Maar die verklaren slechts in beperkte mate het politieke falen in het pensioendossier.
...

We weten al vele jaren dat de pensioenen de komende decennia sterk zullen stijgen, maar beleidsmatig is er niet ingegrepen. Zit ons politiek stelsel daar voor iets tussen? Aan onze coalitieregeringen zijn enkele nadelen verbonden. Maar die verklaren slechts in beperkte mate het politieke falen in het pensioendossier. Coalitieregeringen hebben onder meer als groot nadeel dat de politieke verantwoordelijkheid diffuus verspreid is over alle regeringspartijen. Dat is nog duidelijker in België, waar regeringen van zes en meer partijen geen uitzondering zijn. Door de taalbarrière is het voor beleidsverantwoordelijken nog gemakkelijker de niet-realisatie van doelstellingen aan de andere regeringspartijen toe te schrijven. In landen waar het politieke landschap voornamelijk uit twee partijen bestaat, houdt de verkiezingsuitslag een evidente keuze van de regeringspartij en de regeringsleider in. In coalitiestelsels is de verkiezingsuitslag geen goede voorspeller van de samenstelling van de nieuwe regering, laat staan van het toekomstige beleid. Partijen die een klinkende verkiezingsoverwinning behalen, belanden nogal eens op de oppositiebanken. Dat kiezers dan vinden dat verkiezingen overbodig zijn, hoeft niet te verbazen. Dat regeringsonderhandelingen in coalitiestelsel veel tijd in beslag kunnen nemen, hebben we in België bij de vorming van de regering-Di Rupo kunnen vaststellen. Vervelend is ook dat de regeringsleider niet echt de onbetwistbare numero uno van de regering is. De voorzitters van de regeringspartijen blijven belangrijke 'schoonmoeders' wier akkoord frequent noodzakelijk is. Er ontstaan dan ook geregeld regeringscrisissen, wat tot nieuwe onderhandelingen leidt. Opmerkelijk is dat het beleid van een coalitieregering strikt wordt bepaald door het afgesloten regeringsakkoord. Wat er niet in staat, valt slechts te realiseren na nieuwe politieke discussies. Maar er is ook geen waarborg dat wat er wel in staat, wordt gerealiseerd. In eenpartijregeringen beslist de premier over het beleid zonder verdere discussie. Het leiderschap is duidelijk, de verantwoordelijkheid ook. Het eindresultaat van het voorgaande is dat in coalitiepartijen onduidelijk is wie de politieke verantwoordelijkheid draagt. Hoewel de kiezer zijn stem vooral geeft op basis van de beloftes van de kandidaten over het toekomstige beleid, houden verkiezingen ook een evaluatie in van het voorbije beleid. Maar evalueren is niet simpel als meerdere partijen een gedeelde verantwoordelijkheid dragen. Onze complexe politieke structuur met moeilijk toe te wijzen verantwoordelijkheden verhindert niet dat we een evaluatie kunnen maken in het pensioendossier. Sinds 1974 hebben we een minister of staatssecretaris voor Pensioenen. Dat wekt de indruk dat de pensioenproblematiek politiek relevant was. In werkelijkheid is weinig of niets gebeurd dat macro-economisch significant is. Als de vergrijzingscommissie in 2002 de vergrijzingskosten in 2030 raamde op 25,3 procent van het bbp, is dat cijfer intussen verhoogd tot 30,5 procent. In 2002 werden de kosten tegen 2013 geraamd op 22,0 procent van het bbp. Dat hield een verwaarloosbare stijging in van 0,2 procent van het bbp. We zijn uitgekomen op 26,4 procent. De stijging is niet alleen veel groter dan verwacht, ze is bovendien vergelijkbaar met de voorspelde stijging tot 2060. We hebben het jongste decennium dus al een pensioenschok achter de rug! De conclusie kan niet anders zijn dan dat het beleid desastreus was. Wie draagt de verantwoordelijkheid? We stellen vast dat na 1988 de socialistische familie alle pensioenministers heeft geleverd, met uitzondering van minister Alexander De Croo (Open Vld). Dat kan niet anders dan een bewuste politieke keuze zijn. Anders uitgedrukt: na 1988 was er in 85 procent van de tijd een socialistische minister van Pensioenen. Erger, veelal waren het Vlaamse socialisten (74 % van de tijd). In 20 van de 26 jaar sinds 1988 is het pensioenbeleid dus gestalte gegeven door een Vlaamse socialist. Ondanks ons coalitiestelsel ligt de politieke verantwoordelijkheid hier toch duidelijk. Alles samen lijkt het erop dat één enkele politieke partij het pensioendossier de afgelopen 25 jaar heeft gemonopoliseerd om het te bevriezen. De auteur is professor economie aan de VUB. JEF VUCHELENIn 20 van de 26 jaar sinds 1988 is het pensioenbeleid dus gestalte gegeven door een Vlaamse socialist.