Frankrijk heeft al een aantal jaar zijn ' déclinistes' of ' déclinologues'. Dat zijn economen die waarschuwen voor de onomkeerbare neergang van de Franse economie. Nicolas Baverez, met zijn ondertussen legendarische boek La France qui tombe uit 2003, is daar het beste voorbeeld van. Ondertussen telt ook Groot-Brittannië zijn economische pessimisten. De meest bekende zijn Larry Elliott en Dan Atkinson, de auteurs van Going South: Why Britain will have a Third World Economy in 2014.
...

Frankrijk heeft al een aantal jaar zijn ' déclinistes' of ' déclinologues'. Dat zijn economen die waarschuwen voor de onomkeerbare neergang van de Franse economie. Nicolas Baverez, met zijn ondertussen legendarische boek La France qui tombe uit 2003, is daar het beste voorbeeld van. Ondertussen telt ook Groot-Brittannië zijn economische pessimisten. De meest bekende zijn Larry Elliott en Dan Atkinson, de auteurs van Going South: Why Britain will have a Third World Economy in 2014. Een provocerende titel, en dat is de inhoud van het boek ook. Going South geeft een overzicht van de Britse economische neergang die begon met de Eerste Wereldoorlog en sindsdien eigenlijk nooit stopte. Tot dan was het pond de reservemunt van de wereld, maar na de twee wereldoorlogen moesten de devaluaties van 1949, 1967 en 1992 de Britse economie drijvende houden. Ondanks de concurrentieversterkende maatregelen van een devaluatie en een feitelijke depreciatie van het pond met 30 procent sinds de financiële crisis, blijft de Britse economie sukkelen. De voorbije zeven jaar moest het land meer geld lenen in het buitenland dan ooit tevoren. Groot-Brittannië kampt met een chronisch tekort op de handelsbalans en wordt gekenmerkt door een slecht functionerende arbeidsmarkt. Het land telt 1 miljoen jonge werklozen. Opvallend ook, 60 procent van de werkende bevolking is laaggeschoold. Dat is zeer veel voor een moderne economie. In Frankrijk en Duitsland bedraagt de laaggeschoolde arbeid 30 en 20 procent. Eigenlijk is het Verenigd Koninkrijk aan het afzakken naar een zuiderse, weinig competitieve economie. Tien jaar geleden waren de Britse producten goed voor 4,4 procent van de wereldexport. Ondertussen bedraagt dat aandeel 3 procent. De Britse industrie bevindt zich in een dramatische toestand. Uiteraard heeft het geen zin heimwee te hebben naar de oude steenkoolbekkens. Maar de auto-industrie, die in Duitsland wel een succesverhaal is, stelt over de plas nog amper iets voor. Aan het einde van de jaren zestig was Longbridge in Birmingham de grootste site voor auto-assemblage van de wereld met 250.000 werknemers. Na het bankroet van Rover in 2005 werd de site verkocht. Longbridge telt nu nog een aantal autotechnici. Ze zijn aan de slag bij Shanghai Automotive Industry Corporation. De auteurs wijzen erop dat de Britten altijd blind waren voor die economische neergang door het blijvende succes van de Londense City. Akkoord, Londen blijft een van de belangrijkste financiële centra die in actie schieten als de lichten in Tokio doven en de beurshandelaars in New York nog liggen te slapen. Toch mag het economische gewicht van de City niet overschat worden. De Britten zijn niet langer de exclusieve eigenaar van al die financiële instellingen. Ze zijn gastheer. Elliott en Atkinson noemen dat het Wimbledon-effect: Londen ontvangt de beste tennissers van de wereld, maar telt zelf geen topspelers meer. Het boek is een ontluisterende analyse van de Britse economie. Minpunt is wel dat de auteurs geen concrete suggesties doen om het land weer een interessant groeipad te doen inslaan. Larry Elliott & Dan Atkinson, Going South: Why Britain will have a Third World Economy in 2014. MacMillan, 2012, 400 blz., 35 euroALAIN MOUTON