Sommige parameters wijzen meer dan andere op de zwakheden van een nationale economie. Een vaak onderschat of vergeten instrument om de economische gezondheid van een land te meten is de evolutie van de ruilvoet. Dat is de verhouding van de waarde van de export ten opzichte van de waarde van de import.
...

Sommige parameters wijzen meer dan andere op de zwakheden van een nationale economie. Een vaak onderschat of vergeten instrument om de economische gezondheid van een land te meten is de evolutie van de ruilvoet. Dat is de verhouding van de waarde van de export ten opzichte van de waarde van de import. Volgens een grafiek van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (zie grafiek: Belgische invoer wordt duurder dan uitvoer) en cijfers van de Nationale Bank van België is die ruilvoet al een paar jaar aan het verslechteren. De prijzen van de ingevoerde goederen stijgen sneller dan die van de uitgevoerde goederen. De Belgische ruilvoet is in 2011 met 1,3 procent verslechterd en in 2012 met 0,2 procent. De prijs van de import steeg in die twee jaren met respectievelijk 5,3 en 1,7 procent, de exportwaarde nam met slechts 3,9 en 1,5 procent toe, laat Jan Smets, directeur bij de Nationale Bank, weten. Bij een ruilvoetverslechtering moet een land meer exporteren om dezelfde hoeveelheid te kunnen importeren. Dat wijst op een structurele verarming van de Belgische economie. Vaak geven economen een pasklare oorzaak voor een dalende ruilvoet: België is een belangrijke importeur van grondstoffen en van olie in het bijzonder. Als de olieprijzen op de internationale markten stijgen, dan neemt ook de prijs van de import toe. België is vooral een uitvoerder van (half)afgewerkte producten, en die prijs steeg de voorbije jaren veel minder. In euro uitgedrukt steeg de prijs van die afgewerkte producten in 2011 en 2012 met respectievelijk 2,9 en 6,8 procent, die van de fossiele brandstoffen met respectievelijk 25,1 en 7,9 procent. De Nationale Bank sluit niet uit dat een nieuwe prijsstijging van de grondstoffen de Belgische ruilvoet verder onder druk zet. Het is ook geen uitsluitend Belgisch fenomeen. In 2011-2012 verslechterde de ruilvoet ook in Frankrijk en Duitsland, eerst met 2,3 en dan met 0,7 procent. Maar als we de evolutie van de Belgische en die van andere landen over een langere periode bekijken, dan is het wat kort door de bocht om de oorzaak van de dalende ruilvoet enkel bij de stijgende olieprijzen te leggen. Zo leren de jaarverslagen van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) dat de verslechtering van de ruilvoet voor 2008 vrij gering was, ondanks een forse prijsstijging van heel wat grondstoffen en minerale brandstoffen sinds 2004. De oorzaak daarvan was dat het gunstige economische klimaat voor 2008 ervoor zorgde dat de prijsstijgingen konden worden verrekend in de exportprijs van andere producten, met name kunststoffen en staalproducten. Met de verslechtering van het economische klimaat was dat in 2008, 2010 en 2011 niet meer het geval, waardoor de ruilvoet in die jaren sterk verslechterde. Kortom: na de financiële crisis besloten veel bedrijven de gestegen olieprijzen niet of slechts gedeeltelijk door te rekenen in de prijs van hun eindproducten waardoor de marges sterk onder druk kwamen te staan. In de zoektocht naar de oorzaken van een dalende ruilvoet krijgt de olieprijs veel aandacht. Een andere belangrijke oorzaak wordt vaak uit het oog verloren: de aard of de kwaliteit van de geëxporteerde producten. Als een land veel hoogtechnologische producten kan exporteren, dan stijgen de prijzen van de uitvoer. Op die producten worden hogere marges gehaald, en een betere ruilvoet wijst dan op een toegenomen marktmacht. En dat is in België een probleem, zo leren analyses van de Nationale Bank. Hoewel het aandeel van laagtechnologische producten in de totale Belgische uitvoer tussen 1995 en 2011 met bijna 7 procentpunten afnam ten voordele van mediumtechnologische producten, nam dat van hoogtechnologische producten met slechts 0,3 procentpunt toe tot 51 procent van de Belgische export. Hier kampt België met een aanzienlijke achterstand ten opzichte van de buurlanden. De export van hightechproducten bedraagt in Nederland 55,7 procent van het totaal, in Frankrijk 62 procent en in Duitsland 69,3 procent. Landen die door de export van duurdere, gespecialiseerde producten hun ruilvoet zien verbeteren boeken welvaartswinst. Er kan met dezelfde export meer worden geïmporteerd. België zit hier met een probleem. Ons land staat bekend als een belangrijke exporteur van halffabrikaten. Hier is de manoeuvreerruimte om de prijs te verhogen veel beperkter. De productiemethoden kunnen in andere landen ook gemakkelijker worden nagedaan. De groeilanden zijn voor dit soort producten hun productiecapaciteit volop aan het ontwikkelen. België kan daar niet tegenop, en zeker niet met de hoge loonkosten. Als de Belgische bedrijven meer zouden focussen op producten met een hoge kennisinhoud, doet dat probleem zich veel minder voor. Maar hier hinkt België dus achterop. Op grond van de investeringen in onderzoek en ontwikkeling en de innovatiegraden voor zowel processen als marketing scoort België relatief ongunstig in vergelijking met Duitsland, Frankrijk en Nederland. De lage innovatiegraden komen ook tot uiting in een geringer aantal octrooien per miljoen inwoners dan bij de drie buurlanden. De investering in onderzoek en ontwikkeling ligt zowel voor de overheid als voor de privésector onder het Europese gemiddelde van respectievelijk 1 en 2 procent van het bbp. Volgens de Nationale Bank is er ook een verband met ondernemerschap. Dat België minder kennisintensieve producten exporteert, is rechtstreeks gelieerd aan het aantal jonge of toekomstige ondernemers, dat in België lager ligt dan in de buurlanden en in de rest van de Europese Unie. Als België op dit ogenblik achterophinkt in de productie en export van hightechproducten, dan zit er niets anders op dan het volume van de export op te trekken, om zo de waarde van de export en de ruilvoet te verbeteren. Maar dat is zeer ingewikkeld, door de zwakke concurrentiepositie van België. Er zijn de hoge loonkosten en daaraan gekoppeld de slecht functionerende arbeidsmarkt. Om die hogere volumes te halen, moet je ook mensen naar de arbeidsmarkt lokken én de productiviteit verhogen. Duitsland, dat ook geconfronteerd wordt met een dalende ruilvoet, heeft dat aangepakt door twee denksporen te bewandelen. Enerzijds door te blijven inzetten op de meest geavanceerde technologie, en daarnaast door aan te sturen op een verhoging van de exportvolumes van andere goederen. Dat kon door een versterking van de concurrentiepositie door loonmatiging en de tewerkstelling van goedkope arbeidskrachten.ALAIN MOUTONDe investering in onderzoek en ontwikkeling ligt zowel voor de overheid als voor de privésector onder het Europees gemiddelde.