De vakbonden hebben de strijdbijl nog niet begraven. Maar ze leggen ze wel even opzij. De federale regering geeft volgens Marc Lee-mans (ACV), Rudy De Leeuw (ABVV) en co voldoende garanties om het sociaal overleg tussen vakbonden en werkgevers opnieuw ten gronde op te starten. De regering belooft snel een extra taxshift, geeft de vakbonden enige ruimte voor loonsverhogingen, de sociale partners krijgen grotendeels vrij spel in de aanwending van de meer dan 300 miljoen euro voor hogere uitkeringen en ze mogen ook voorstellen doen voor een pensioenhervorming.
...

De vakbonden hebben de strijdbijl nog niet begraven. Maar ze leggen ze wel even opzij. De federale regering geeft volgens Marc Lee-mans (ACV), Rudy De Leeuw (ABVV) en co voldoende garanties om het sociaal overleg tussen vakbonden en werkgevers opnieuw ten gronde op te starten. De regering belooft snel een extra taxshift, geeft de vakbonden enige ruimte voor loonsverhogingen, de sociale partners krijgen grotendeels vrij spel in de aanwending van de meer dan 300 miljoen euro voor hogere uitkeringen en ze mogen ook voorstellen doen voor een pensioenhervorming. In welke mate dit sociaal overleg tot resultaten zal leiden, valt af te wachten. Meestal bereiken de sociale partners een akkoord als de regering met een cheque op de proppen komt die zowel werkgevers als syndicale organisaties tevreden- stelt. Dat heeft de regering-Michel eigenlijk al eind 2014 gedaan. Toen werd besloten de verstrenging van het brugpen- sioen in de tijd te spreiden. Ook het verstrengde tijdskrediet werd licht aangepast. Dat alles kost de regering -- en dus het land -- zo'n 100 miljoen euro aan extra uitgaven, pasmunt waarmee Charles Michel en co de sociale vrede willen herstellen. Daarmee doet de regering niets nieuws. In het verleden hebben de opeenvolgende regeringen het sociaal overleg en het tot stand komen van een interprofessioneel akkoord gefinancierd. Meestal kwam het erop neer dat de vakbonden en de werkgevers na weken of maanden onderhandelen met voorstellen kwamen rond loonevolutie, een flexibeler arbeidsmarkt, lastenverlagingen, middelen voor opleidingen en hogere uitkeringen. Werkgevers hadden het vaak moeilijk met de in hun ogen te royale loonstijgingen die werden afgesproken. Als compensatie vroegen ze aan de regering loonkostenverlagingen via lagere sociale bijdragen. Lineair maar vaak vooral voor ploegenarbeid en overuren. De vakbonden vonden dan weer dat de vrijheid van loononderhandelingen te veel werd beperkt door een loonnorm en legden de nadruk op hogere minimumlonen en sociale uitkeringen. Elk akkoord was een moeilijk compromis dat er eigenlijk pas echt kwam toen de sociale partners van de regering het signaal kregen dat de Wetstraat het op zijn minst deels zou financieren. Vooral onder paars trok de federale regering de geldbeugel al te graag open. En na het uitbreken van de financiële crisis in 2007-2008 heeft de federale regering tal van maatregelen genomen én gefinancierd, die de stijgende werkloosheid moesten counteren. Het waren flankerende maatregelen bij een sociaal overleg dat almaar stroever verliep. De factuur van dat sociaal overleg liep toen op tot liefst 1,5 miljard euro. Die financiering van de interprofessionele akkoorden (IPA's) is een van de oorzaken van de hoog oplopende Belgische primaire uitgaven (zie grafiek Lopende overheidsuitgaven). Die situeren zich vooral in de sociale sector (zie grafiek Vooral sociale uitgaven stijgen). Zullen de sociale partners straks een akkoord bereiken zonder dat extra financiële 'smeermiddel' van de regering? Ondanks het beperkte budget is de kans klein. Een overzicht van de interprofessionele akkoorden sinds de eeuwwisseling toont dat de federale regering de geldbeugel bleef opentrekken. Ook al waren vooraf dure eden gezworen dat de sociale partners het onder elkaar moesten regelen. Eind 2000 sloten de sociale partners een IPA af voor 2001-2002. Het werd een royaal loonakkoord met een loonnorm van 6,2 procent. Dat was het percentage waarmee de lonen de komende twee jaar mochten stijgen. In sterke sectoren was zelfs een extra conjunctuurbonus van 0,4 procent mogelijk. Er heerste een optimistische sfeer bij de sociale partners en de regering. De internethype was in volle gang en de paars-groene regering wilde van België een sociale welvaartsstaat maken, een model voor Europa. De PS en de vakbonden pleitten bijvoorbeeld voor een beter evenwicht tussen werk en privéleven. Werknemers kregen vanaf 2002 recht op een jaar loopbaanonderbreking. Maar vooral: minister van Werk Laurette Onkelinx wilde arbeidsduurvermindering promoten en de 38-urige week invoeren. Ze kreeg daarvoor de steun van de vakbonden. Maar de werkgevers waren daar minder happig op. Ze vroegen een financiële tegemoetkoming aangezien dat zou betekenen dat werknemers sneller beter betaalde overuren zouden kunnen kloppen. De regering kwam met financiële compensaties over de brug: 25 miljoen euro (1 miljard frank) in plaats van de oorspronkelijk voorziene 12 miljoen euro. Het IPA voor 2003-2004 bepaalde dat de loonkosten over twee jaar met 5,4 procent mochten stijgen. Een royaal akkoord, want in de sectoren kon bovendien worden afgeweken van die loonnorm. Aan de sectoren werd gevraagd de loonstijgingen in het moeilijke jaar 2003 te ontzien. Maar daar bestond niet echt een garantie voor. De regering 'smeerde' het loonakkoord met 71 miljoen euro aan lastenverlagingen. Die waren zowel voor de werkgevers als voor de vakbonden interessant: de loonkosten gingen naar beneden en de aanwending van de middelen ging voor een deel naar kansengroepen die moeilijk een plaats vinden op de arbeidsmarkt, zoals allochtonen en gehandicapten. De sociale partners bereikten een akkoord waarbij de lonen met 4,5 procent mochten stijgen. In een interview zei minister van Werk Freya Vanden Bossche (sp.a) dat de werkgevers nooit akkoord waren gegaan met die loonnorm indien er geen belangrijke lastenverlagingen tegenover hadden gestaan. In totaal ging het om 252 miljoen euro. 40 miljoen euro ging naar de laagste lonen. Die hielden meer over via de werkbonus, een verlaging van de werknemersbijdrage die werd omgezet in een hoger nettoloon. De rest van het bedrag werd gebruikt om overuren en ploegenarbeid goedkoper te maken. Een aantal maanden voor het afsluiten van het IPA hadden de vakbonden en het ACV in het bijzonder bedongen dat de uitkeringen in de toekomst welvaartsvast zouden worden gemaakt. Het werd in de tweede helft van 2005 concreet met het Generatiepact. De uitkeringen werden niet alleen aangepast aan de stijgende levensduurte en de index, ze volgden ook de reële stijgingen van de lonen. De regering zou tweejaarlijks een budget vrijmaken voor die welvaartsaanpassing. Aan de sociale partners om ze concreet in te vullen. Het zou vanaf 2006 de rode draad zijn door het sociaal overleg. Voor de vakbonden werd het door de regering vrijgemaakte budget van de welvaartsvastheid cruciaal om het sociaal overleg te doen slagen. Opnieuw vormde de loonnorm de kern van het interprofessioneel akkoord. Hij werd vastgelegd op 5 procent. Maar aanvankelijk wilden de werkgevers niet verder gaan dan een loonstijging van 4,75 procent. Ze werden overtuigd omdat de regering 0,25 procent extra van de loonstijging financierde. Die maatregel kostte de overheid 180 miljoen euro. Voor het verhogen van de uitkeringen was in 2007 een budget van 160 miljoen euro (75 miljoen euro toegezegd op de superministerraad van Oostende-Raversijde in 2004 en 85 miljoen euro bijkomend in het Generatiepact) opzijgezet. Voor 2008 was 210 miljoen vrijgemaakt De financiële crisis en de bankencrisis hadden zwaar ingehakt op de overheidsfinanciën. Eerste minister Yves Leterme (CD&V) waarschuwde de vakbonden in de herfst van 2008, net voordat de onderhandelingen over een nieuw IPA startten: de marge voor lastenverlagingen was zeer beperkt en hetzelfde gold voor maatregelen om de koopkracht te versterken. Er kwam inderdaad een zeer gematigd loonakkoord: de vakbonden sleepten een nettoloonsverhoging van 250 euro in de wacht. Maar de voorspelling van Leterme kwam niet uit: het IPA kostte de regering liefst 1,5 miljard euro. 500 miljoen ging naar lastenverlagingen voor ploegenarbeid en overuren. Voorts kregen bedrijven fiscale kortingen, werden de uitkeringen verhoogd en werd het stelsel van tijdelijke werkloosheid uitgebreid. Die middelen werden in de economie gepompt om te vermijden dat de financiële crisis de jobmarkt hard zou treffen. Daarnaast werd voor het welvaartsvast maken van de uitkeringen over twee jaar 400 miljoen euro uitgetrokken. Begin 2011 waren de zwaarste schokken van de financiële crisis achter de rug. De sociale partners beseften dat een sociaal akkoord gesmeerd met massa's overheidsgeld niet realistisch zou zijn. Ze vroegen dan ook geen lastenverlagingen. Maar de loonstijgingen bleven beperkt (+0,3 %), waardoor de werkgevers minder vragende partij waren voor compenserende loonkostverlagingen via bijvoorbeeld verminderingen van sociale bijdragen voor ploegenarbeid en overuren. Wel riepen de sociale partners de regering op het stelsel van tijdelijke werkloosheid voor bedienden te verlengen. De regering ging daarop in. Maar de ontslagnemende regering-Leterme kwam ook met geld over de brug: 300 miljoen euro extra voor de verhoging van de sociale uitkeringen. 100 miljoen euro in 2011 en 200 miljoen euro in 2012. Onder druk van de werkgevers en Open Vld trok de regering-Di Rupo het loonoverleg naar zich toe. Ze besliste voor 2013-2014 een reële loonstop in te voeren. Enkel de indexering van de lonen en de baremieke verhogingen werden toegekend. Daarnaast voorzag ze in 400 miljoen euro aan lastenverlagingen. Aangezien de regering een belangrijk deel van het sociaal overleg naar zich toe trok, kon die niet direct als pasmunt voor het sociaal overleg worden beschouwd. Wel kregen de sociale partners het recht om die lastenverlaging concreet in te vullen. De regering besliste ook de sociale uitkeringen met zo'n 300 miljoen euro te laten stijgen. Omwille van besparingen ging het hier om 60 procent en geen 100 procent van de welvaartsenveloppe (500 miljoen euro). Ook werden de minimumlonen verhoogd. Ook de regering-Michel zette aanvankelijk zelf de lijnen uit voor de loonevolutie 2015-2016: er zou een indexsprong worden ingevoerd en de loonblokkering bleef aanvankelijk behouden. Maar na een gesprek met de sociale partners zet de regering nu wel de deur open voor loonsverhoging, al blijft de indexsprong behouden. Eind vorig jaar deed de regering al een geste naar de sociale partners door onder andere de verstrenging van het brugpensioen in de tijd te spreiden. Kostprijs: 100 miljoen euro. Voor de welvaartsvastheid van de uitkering wordt de volledige enveloppe van meer dan 319 miljoen euro vrijgemaakt voor 2015 en 627 miljoen voor 2016. Dit overzicht toont dat de sociale partners nog maar moeilijk tot gezamenlijke akkoorden komen, tenzij de regering er geld tegenaan gooit. Werkgevers vragen lastenverlagingen, vakbonden willen de garantie krijgen dat de uitkeringen welvaartsvast zijn en dat maatregelen als de uitgebreide tijdelijke werkloosheid mensen niet in de gewone werkloosheid doen vervallen. Vooral het stelsel van tijdelijke werkloosheid heeft sinds de crisis van 2008 in toenemende mate beslag gelegd op de overheidsfinanciën. De uitgaven stegen van 281 miljoen euro in 2000 naar 824 miljoen euro in 2013. Op de welvaartsvastheid van de uitkeringen komt wel almaar meer kritiek van economen. De uitkeringen nemen toe op basis van een productiviteitsgroei van 0,75 procent, terwijl die groei eigenlijk is stilgevallen. Het gevolg is dat de sociale uitgaven de voorbije jaren sterker gestegen zijn dan de lonen. Die stijging van de uitkeringen kunnen we niet op dezelfde lijn plaatsen met de lastenverlagingen. Dat zijn geen cadeaus voor de werkgevers. Ze compenseren de soms te royale loonstijgingen en zorgen voor jobcreatie. Sinds 1993 hebben de opeenvolgende regeringen 13 miljard euro aan lastenverlagingen toegekend. Dat leverde 560.000 extra jobs op. ALAIN MOUTONMeestal bereiken de sociale partners een akkoord als de regering met een cheque op de proppen komt.