Het grootste probleem van de Amerikaanse economie zijn niet de zwakke investeringen, de afbrokkelende groei of de toenemende ongelijkheid. Het grootste probleem is de politiek, zei Jan Rivkin, hoogleraar aan de Harvard Business School, begin deze maand in een interview. De Amerikaanse politici lossen de problemen van hun land niet op. "Nietsdoen is voor Amerikaanse politici een manier geworden om carrière te maken", aldus Rivkin.
...

Het grootste probleem van de Amerikaanse economie zijn niet de zwakke investeringen, de afbrokkelende groei of de toenemende ongelijkheid. Het grootste probleem is de politiek, zei Jan Rivkin, hoogleraar aan de Harvard Business School, begin deze maand in een interview. De Amerikaanse politici lossen de problemen van hun land niet op. "Nietsdoen is voor Amerikaanse politici een manier geworden om carrière te maken", aldus Rivkin. De politieke stilstand sleept al bijna twintig jaar aan, schrijft hij in het rapport Problems unsolved and a nation divided. Daarin maakt hij een doorlichting van de Amerikaanse economie, samen met Michael Porter, een andere Harvard-grootheid. De polarisatie heeft de politiek compleet verziekt. Constructieve compromissen komen er niet meer van. Hoop op beterschap is er niet, zeker niet voor wie de presidentiële kiescampagne volgt. De campagne is "een nachtmerrie", met "cartooneske slogans" die de verwarring bij de burger alleen maar groter maken, aldus het rapport. Geen van de kandidaten heeft een coherente economische strategie. Hun zogenaamde oplossingen zijn simplistisch en misleidend, of brengen hooguit fragmentaire verbeteringen. Nochtans boekte het Amerikaanse beleid onlangs een paar successen. Door kordate ingrepen van de regering en de centrale bank is de financiële crisis van 2008 niet uitgemond in een depressie en zijn de banken gestabiliseerd. Na enkele jaren van recessie is er weer groei. De banencreatie zit op niveau, en de consumenten laten het geld rollen. Het is allemaal gezichtsbedrog, aldus Rivkin en Porter. De Amerikaanse politici slagen niet meer in hun kernopdracht: welvaart brengen voor iedereen. Gedeelde welvaart was de grootste Amerikaanse verwezenlijking van de decennia na de Tweede Wereloorlog. Amerikaanse bedrijven gedijden en veroverden de wereldmarkten, zonder dat dat ten koste ging van de werknemer. Integendeel, Amerikaanse werknemers verdienden goed hun brood, want ze behoorden tot de best geschoolde en productiefste ter wereld. De combinatie van groeiende marktaandelen en stijgende lonen was te danken aan de sterke Amerikaanse productiviteit. Het land haalde grote opbrengsten per werknemer en per dollar aan geïnvesteerd kapitaal, dankzij zware investeringen in onderwijs en infrastructuur, de aanmoediging van innovatie en een stoutmoedig mededingingsbeleid om de concurrentie te vrijwaren. Dat maakte de Verenigde Staten tot een van de meest competitieve landen ter wereld. Dat is voorbij, aldus het rapport. In de voorbije decennia takelde de Amerikaanse productiviteit stelselmatig af, zodat de economie haar groeikracht verloor. In de jaren vijftig en zestig haalde de economie nog groeivoeten van meer dan 4 procent per jaar, sinds de eeuwwisseling is dat nog maar half zoveel (zie kader Hoe sterk is Amerika echt?). De economie creëert minder banen, wat mensen ontmoedigt om naar werk te zoeken, vooral lager geschoolden. Wie niet langer een baan zoekt, verdwijnt uit de werkloosheidsstatistieken, zodat de officiële Amerikaanse werkloosheidsgraad van 5 procent een veel te rooskleurig beeld geeft. Als er al banen bij komen, is dat vooral in sectoren die de lokale markt bedienen, zoals ziekenhuizen, vastgoedkantoren en wasserijen. De lonen zijn er veel lager dan in exportsectoren zoals de machinebouw of IT-apparatuur. Het voorspelbare gevolg van de aftakeling van de groei, de banencreatie en de arbeidsmarktparticipatie is een dalend gezinsinkomen, aldus het rapport. Na een klim van vele decennia is het mediane gezinsinkomen in de Verenigde Staten sinds 1999 inreële termen aan het zakken. Dat betekent dat het gezinsbudget niet langer de inflatie kan bijhouden - erger zelfs: het is met 7 procent gedaald. Vorig jaar was er weliswaar een stijging, maar het valt te bezien of die ene zwaluw de lente brengt. Niet iedere Amerikaan boert achteruit. De toplaag houdt stand, of doet het zelfs beter. De 10 procent best verdienende Amerikanen zag zijn reële gezinsinkomen stijgen tussen 2000 en 2014. Een blik op de landkaart zegt alles. In nauwelijks 910 van de 3135 counties of districten zagen de gezinnen hun mediane reële gezinsinkomen stijgen sinds 1999. Het gaat meestal om kennis- en technologiecentra als San Francisco, New York en Boston, of regio's die rijk zijn aan schalieolie en -gas, zoals Wyoming, Texas en Noord- en Zuid-Dakota. De conclusie ligt voor de hand: enkel een uitgelezen groepje van hooggeschoolden en olieboeren ziet zijn inkomen nog groeien. De middenklasse en de lager geschoolden blijven achter. Dat doen ze feitelijk al sinds zowat 1980 (zie grafiek De opdeling van Amerika), alleen had het maatschappelijke debat er lange tijd weinig oren naar. Al even verontrustend is de tweedeling bij de bedrijven sinds 1980. Vanaf dat jaar is het aantal start-ups merkelijk aan het dalen en het aantal stopzettingen aan het stijgen. In 2010 kruisten de twee curves elkaar: voor het eerst werden in de Verenigde Staten meer bedrijven opgedoekt dan opgericht. Vooral de daling van het aantal bedrijven met minder dan 500 werknemers springt in het oog. Achter successen als Google, Facebook en andere hippe bedrijven in Silicon Valley gaat dus een heel andere werkelijkheid schuil. Kmo's waren de traditionele banenmotor van de Verenigde Staten, maar ook dat is voorbij. Sinds 2000 hebben bedrijven met duizend of meer werknemers veel meer banen gecreëerd dan kmo's met minder dan honderd werknemers. De crisis van 2008-2009 eiste weliswaar ontslagen in alle bedrijfsklassen, maar enkel het personeelsbestand van de grote en middelgrote ondernemingen zit opnieuw op precrisisniveau. De kleine bedrijven hebben veel meer moeite om op te krabbelen. De allerkleinsten, met minder dan tien werknemers, zijn zelfs blijven hangen op het crisisniveau. De conclusie is ontluisterend. Alleen wie veel verdient, ziet zijn inkomen nog stijgen. Alleen bedrijven die groot zijn, worden nog groter. Hoe is het zover kunnen komen? De Verenigde Staten beschikken nog altijd over sleuteltroeven: universitair toponderzoek, deskundig ondernemerschap en een geoliede kapitaalmarkt. De eerste zorgt voor technologische innovaties, de tweede brengt ze op de markt, de derde zorgt voor financiering. Het probleem is dat enkel de grote bedrijven en hun hooggeschoolde medewerkers toegang hebben tot die troeven: topuniversiteiten, kwaliteitsmanagement en kapitaal. Van de Amerikaanse zwaktes hebben ze geen last. De ingewikkelde vennootschapsbelasting omzeilen ze met fiscale spitstechnologie. Ze ontkomen aan de afbrokkelende transportinfrastructuur door activiteiten op te zetten in landen met goede logistieke systemen. Aan het ondermaatse lager en middelbaar onderwijs ontsnappen ze via vestigingen in landen met goed geschoolde werkkrachten. En dankzij een legertje juristen en experts kunnen ze de complexe regelgeving in de Verenigde Staten meester blijven. Al die mogelijkheden liggen ver buiten het bereik van de Amerikaanse kmo's en hun werknemers. Terwijl de grote bedrijven en hun medewerkers profiteren van de sterktes van de Verenigde Staten, blijven de kleintjes gevangen in de zwaktes. Het is een cruciale verklaring voor de tweedeling in de Amerikaanse maatschappij, aldus het rapport. Het land heeft twee werelden, omdat er twee realiteiten zijn. De reactie van de Amerikaanse overheid daarop is fout, aldus het rapport. In plaats van te investeren in de toekomst - via beter onderwijs, moderne infrastructuur of een ondernemingsvriendelijker klimaat - betaalt ze voor het verleden. Sociale uitkeringen gingen een almaar groter deel van de federale uitgaven uitmaken, terwijl het omgekeerde gebeurde met investeringen in onderwijs en infrastructuur (zie grafiek De afbraak van de toekomst). De gevolgen laten zich raden. Uit leesvaardigheidstesten van de OESO blijkt dat Amerikaanse 25- tot 44-jarigen moeten onderdoen voor hun buitenlandse leeftijdsgenoten. Amerikaanse 45- tot 65-jarigen daarentegen doen beter, wat wijst op een achteruitgang van het Amerikaanse menselijke kapitaal over de jaren. Om een idee te krijgen van de achteruitgang van de Amerikaanse infrastructuur, volstaat het het vliegtuig te nemen van de moderne Pudong International Airport in Sjanghai naar het aftandse John F. Kennedy Airport in New York, zegt het rapport. In de jaren zestig investeerde de Amerikaanse overheid nog 2,2 procent van het jaarlijkse bruto binnenlands product in infrastructuur, vandaag is dat 1,6 procent. Dat is minder dan Europa en veel minder dan China. De Verenigde Staten blinken ook niet uit in ondernemersvriendelijkheid. Het tarief van de Amerikaanse vennootschapsbelasting ligt 10 procentpunt hoger dan het OESO-gemiddelde. Het gevolg is dat Amerikaanse bedrijven fervent lobbyen bij de overheid om allerlei aftrekposten en vrijstellingen, of grote sommen cash oppotten in buitenlandse fiscale constructies in plaats van te investeren in eigen land. Bedrijven kunnen niet blijven gedijen in een samenleving die achteruitboert, stelt het rapport. Dat beseffen de bedrijven zelf ook, al was het maar om praktische redenen. Om te besparen op transportkosten of sneller te kunnen reageren op de marktvraag, halen veel Amerikaanse bedrijven hun buitenlandse productie terug naar de Verenigde Staten. Goed geschoolde werkkrachten, een moderne infrastructuur en een vlotte mobiliteit komen opeens weer van pas. Een aantal bedrijven steekt zelf de handen uit de mouwen. Ze investeren in doorgroeikansen voor hun laaggeschoold personeel, helpen scholen met het opleiden van leraars en leerlingen, of stappen in samenwerkingsverbanden met lokale overheden en non- profitorganisaties om de streekeconomie te bevorderen. Al die goede bedoelingen zullen weinig uithalen als de federale overheid niet beweegt. Zij heeft de belangrijkste hefbomen in handen om welvaart te creëren. Maar oeverloos politiek gehakketak houdt de federale overheid al jaren aan de zijlijn. "Washington D.C. has been virtually paralyzed", schrijft het rapport. De politici ruziën volop om de verdeling van de taart - wie krijgt te weinig, wie krijgt te veel. Het echte probleem - het krimpen van de taart voor de meeste Amerikanen - gaat compleet verloren in het gepolariseerde debat. Het Amerikaanse politieke systeem, ooit een voorbeeld voor de wereld, is vandaag the major obstacle to progress. Jozef Vangelder" Nietsdoen is voor Amerikaanse politici een manier geworden om carrière te maken" Alleen Amerikanen die veel verdienen, zien hun inkomen nog stijgen. Terwijl de grote bedrijven en hun medewerkers profiteren van de sterktes van de Verenigde Staten, blijven de kleintjes gevangen in de zwaktes. Een aantal bedrijven steekt zelf de handen uit de mouwen. Ze investeren in doorgroeikansen voor hun laaggeschoold personeel, of helpen scholen met het opleiden van leraars en leerlingen.