De vakbonden zitten in het defensief. Het gros van de publieke opinie geeft hen de volle laag omdat ze hervormingen op de arbeidsmarkt tegenhouden of slechts node aanvaarden. Zeker het socialistische ABVV wordt met de vinger gewezen omdat het om de haverklap betoogt en op de rem staat om een oplossing te vinden in cruciale sociale dossiers zoals het eenheidsstatuut arbeiders-bedienden. Zijn de vakbonden aangeschoten wild?
...

De vakbonden zitten in het defensief. Het gros van de publieke opinie geeft hen de volle laag omdat ze hervormingen op de arbeidsmarkt tegenhouden of slechts node aanvaarden. Zeker het socialistische ABVV wordt met de vinger gewezen omdat het om de haverklap betoogt en op de rem staat om een oplossing te vinden in cruciale sociale dossiers zoals het eenheidsstatuut arbeiders-bedienden. Zijn de vakbonden aangeschoten wild? Zeker niet, beweert Alain Destexhe, parlementslid voor de Franstalige liberalen in zijn boek over de vakbondsmacht in België (Syndicats: Enquête sur le plus puissant lobby du pays, Renaissance du Livre, 160 blz). Volgens Destexhe hebben de vakbonden nog altijd in alle machtscenakels een voet tussen de deur. Via bevriende politici zitten ze in de regering en het parlement, ze hebben vertegenwoordigers in allerlei organen zoals de NAR en CRB, en ze leveren lekenrechters in de arbeidsrechtbanken. "De vakbonden, die het maar al te graag hebben over het complot van het grootkapitaal en het neoliberalisme, bevinden zich zelf in een geprivilegieerde positie. Ze zijn met voorsprong de machtigste lobby van het land", zegt hij. "Op zich niets speciaals, aangezien de vakbonden de werknemersbelangen moeten dienen. Maar het is duidelijk dat dit niet langer hun prioriteit is. Het gaat enkel en alleen om het behoud van privileges en voordelen." Destexhe zegt dat hij bij het schrijven van het werk van de ene verbazing in de andere is gevallen: "Hun machtspositie is veel groter dan ik dacht. De vakbonden zitten bijvoorbeeld ook in het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen, of ze spelen een adviserende rol bij het wetenschapsbeleid. Het gaat hier om organen die volstrekt geen raakvlak hebben met de doelstelling van de vakbonden: de bescherming van de werknemers." In de ogen van Destexhe is de vakbondsmacht de voorbije jaren ontspoord, waardoor de vakbonden privileges hebben verworven die ze tot elke prijs in stand willen houden. In het boek somt hij een rist voorbeelden op. Het bekendste is wellicht het gebrek aan rechtspersoonlijkheid van de vakbonden, waardoor het zo goed als onmogelijk is om een zicht te krijgen op hun financiële situatie. De vakbonden verdedigen die situatie omdat ze niet willen dat werkgevers weten hoeveel er in de stakingskassen zit. "Aan de andere kant zijn vakbonden bij een sociaal conflict perfect op de hoogte van het aantal dagen dat een onderneming een staking kan verdragen zonder de bestellingen te kunnen afhandelen. Eigenlijk is het een ongelijke strijd." Destexhe ergert er zich niet zozeer aan dat de omvang van de stakingskassen niet bekend is, wel dat de hele financiering van de organisaties totaal ondoorzichtig is, ook al worden er sporadisch cijfers prijsgegeven. Het totale budget van de vakbonden zou rond 625 miljoen euro draaien, waarbij 75 procent van ledenbijdragen komt en 25 procent van allerlei subsidies. Destexhe: "Vakbonden beschikken over inkomensbronnen die vaak amper bekend zijn bij het grote publiek. Zoals de syndicale premie die betaald wordt om in het bedrijf de sociale vrede te bewaren. Ook de fondsen van bestaanszekerheid zijn omgeven door een waas van geheimzinnigheid. En wie is op de hoogte van de subsidies die vakbonden krijgen voor het organiseren van sociale verkiezingen?" Destexhe besteedt in het boek bijzondere aandacht aan het geld dat de vakbonden halen uit de uitbetaling van de werkloosheidsuitkeringen. Om die taak tot een goed einde te brengen, ontvingen de vakbonden in 2011 van de RVA 165 miljoen euro (79 miljoen voor het ACV, 73 miljoen voor het ABVV en 13 miljoen voor het ACLVB). De Hulpkas voor Werklozen, die de vergoedingen van de niet-gesyndiceerden uitbetaalt, ontvangt 42 miljoen euro. "Maar buiten die zogenaamde subsidie voor het uitbetalen van die uitkeringen beheren de vakbonden dus ook de werkloosheidsuitkeringen op zich. Het gaat toch om bijna 7 miljard euro. Ook als je zo'n bedrag zeer korte tijd beheert of op een rekening houdt en zeer voorzichtig belegt, kan dat zeer interessante intresten opleveren. Maar over hoeveel geld het gaat, is onduidelijk." In tegenstelling tot wat vaak beweerd wordt, is België niet het enige land waar de vakbondsorganisaties betrokken zijn bij het uitbetalen van het werklozengeld. "Maar we zijn wel het enige land waar de vakbonden het zo goed als alleen doen. In andere landen gebeurt dit in gezamenlijk beheer met de werkgevers. Ik plaats hier toch een paar bedenkingen bij. Als de vakbonden het werkloosheidsgeld betalen, hebben ze er eigenlijk belang bij dat er veel werklozen zijn. Overigens is meer dan 30 procent van de leden van de vakbond werkloos of inactief. In deze discussie hoor ik ook vaak dat de vakbonden die uitkeringen veel sneller uitbetalen dan de hulpkas. Dat klopt, maar is in zekere zin niet verwonderlijk. De hulpkas wordt beheerd door de RVA. En in het beheerscomité van de RVA zitten de vakbonden. Wat dus eigenlijk betekent dat deze privéspelers controle uitoefenen op een overheidsinstelling die een concurrent is." Destexhe opent in zijn boek ook een aanval op de in zijn ogen overdreven ontslagbescherming van vakbondsvertegenwoordigers in een bedrijf. "Uiteraard moeten syndicale vertegenwoordigers beschermd worden tegen de willekeur van de werkgever", benadrukt hij. "Maar de bescherming heeft ook perverse effecten. Advocaten gespecialiseerd in arbeidsrecht hebben berekend dat een bedrijf met 100 werknemers 54 beschermde medewerkers kan tellen als er voor elke functie en door elke vakbond bij sociale verkiezingen een volledige kandidatenlijst wordt ingediend." "Vaak dienen zich bij sociale verkiezingen kandidaten aan die geen enkele syndicale ervaring hebben en enkel tegen ontslag willen worden beschermd. Een ontslag is onmogelijk, tenzij via het paritair comité en via de arbeidsrechtbank, en enkel wegens ernstige fout of om economische redenen. Als het toch tot een ontslag komt, zijn de opzegvergoedingen enorm hoog." De berekening van de opzeg voor beschermde werknemers gebeurt als volgt: twee, drie of vier jaar loon voor een anciënniteit van respectievelijk minder dan 10, tussen 10 en 20 of meer dan 20 jaar. Bovendien moet een gedelegeerde zijn loon nog krijgen tot aan de volgende sociale verkiezingen, die elke vier jaar plaatsvinden. Pas dan treedt de opzegvergoeding in werking. Een vergoeding van acht jaar is realistisch. En het is nog niet alles. Zelfs wanneer een vakbondsvertegenwoordiger door zijn syndicale organisatie wordt uitgesloten, blijft hij recht hebben op de beschermingsvergoedingen. "Een echte gouden parachute, terwijl de vakbonden de eerste zijn om zulke lange opzegvergoedingen voor CEO's te verwerpen." Destexhe voegt eraan toe dat die beschermingsvergoeding vaak behouden blijft wanneer een onderneming moet sluiten. "Het gebeurt regelmatig dat een vakbond onderhandelt met de werkgever over een speciaal sociaal plan zodat de gedelegeerden een extraatje krijgen bovenop ontslagvergoedingen bij herstructureringen. Zijn gewone werknemers dan minderwaardig wanneer het slecht gaat? Die voordelen gelden niet alleen voor vakbondsvertegenwoordigers. Het gebeurt ook dat vakbondsleden bij een herstructurering meer krijgen dan niet-gesyndiceerden. Als dat geen discriminatie is." Destexhe beperkt zich niet tot kritiek. Hij lanceert voorstellen om de privileges aan te pakken, al weet hij goed dat ze op een njet zullen stuiten. Vanuit vakbondskringen werd al furieus gereageerd op het boek. Anne Demelenne, de nummer twee van het ABVV, laat weten het boek niet te lezen en er ook geen commentaar op te geven. Het boek van het MR-parlementslid richt zijn pijlen op een aantal taboes zoals het opleggen van een rechtspersoonlijkheid voor vakbonden en een bijsturing van de bescherming van vakbondsvertegenwoordigers. Het moet volgens hem mogelijk zijn dat nieuwe vakbonden kunnen deelnamen aan de sociale verkiezingen, waarbij het klassieke monopolie van de drie syndicale organisaties wordt doorbroken. Destexhe: "Waarom kan iemand zich niet kandidaat stellen voor de sociale verkiezingen zonder lid te zijn van een werknemersvertegenwoordiging? Ook hier is er bij de vakbonden geen ruimte voor bijsturingen, merk ik." ALAIN MOUTON