In de periode tussen 1832 en 1912 betaalden de vier integraal Vlaamse provincies met 5,2 miljard frank 44 % van de belastingen. Volgens het principe van 'le juste retour' moesten de Vlamingen 44 % van de overheidsinvesteringen krijgen. In de praktijk hebben ze 33 % ontvangen van de 4,2 miljard die de grote infrastructuurwerken hebben gekost. Het verschil is 450 miljoen frank. Een verouderd belastingsysteem benadeelde in de 19de eeuw dus de Vlaamse tegenover de Waalse provincies. Juul Hannes, emeritus hoogleraar Economische Geschiedenis aan de UGent en de VUB goochelt in zijn stijlvolle Gentse villa met cijfers. Hannes verricht al jaren studiewerk naar de fiscale transfers in de 19de eeuw. Het recent verschenen boek 'De mythe van de omgekeerde transfers. Fiscale prestaties van Vlaanderen, Wallonië en Brabant 1832-1912' geeft daarvan een goed, maar vooral verrassend overzicht.
...

In de periode tussen 1832 en 1912 betaalden de vier integraal Vlaamse provincies met 5,2 miljard frank 44 % van de belastingen. Volgens het principe van 'le juste retour' moesten de Vlamingen 44 % van de overheidsinvesteringen krijgen. In de praktijk hebben ze 33 % ontvangen van de 4,2 miljard die de grote infrastructuurwerken hebben gekost. Het verschil is 450 miljoen frank. Een verouderd belastingsysteem benadeelde in de 19de eeuw dus de Vlaamse tegenover de Waalse provincies. Juul Hannes, emeritus hoogleraar Economische Geschiedenis aan de UGent en de VUB goochelt in zijn stijlvolle Gentse villa met cijfers. Hannes verricht al jaren studiewerk naar de fiscale transfers in de 19de eeuw. Het recent verschenen boek 'De mythe van de omgekeerde transfers. Fiscale prestaties van Vlaanderen, Wallonië en Brabant 1832-1912' geeft daarvan een goed, maar vooral verrassend overzicht. "Ik begrijp niet waarom niemand vroeger op die cijfers gesprongen is," zegt Hannes. "Alle informatie over de inkomsten en uitgaven van de overheid werden jaarlijks opgenomen in de parlementaire documenten van de Kamer. De grondwet schreef dat voor." De periode tussen 1920 en 1930 werd niet onder de loep genomen omdat er daarvan geen cijfers beschikbaar waren. 1831 viel ook buiten het bestek van het onderzoek omdat in die gegevens nog heel wat achterstallige belastingen vervat zaten. En de nationale rekeningen van 1912 waren nog niet afgewerkt toen WO I uitbrak. Hannes berekende dat in de periode 1832-1912 in totaal bijna 12 miljard goudfrank door de overheid werd geïnd. Vlaanderen bracht daarvan 44 % op en Wallonië 30,4 %. Het aandeel van Brabant was 25,6 %. Vlaanderen was toen goed voor 43,8 % van de bevolking. Wallonië telde 40 % van de bevolking, maar betaalde slechts 30,4 % van de belastingen. "De directe belastingen moeten apart bekeken worden," stelt de auteur voor, "want die worden verondersteld de welstand of de armoede van de gezinnen weer te geven." Onder directe belastingen verstaan we voor de bestudeerde periode de grondbelastingen, de patentbelastingen (een soort van bedrijfsbelasting) en de personenbelasting. Het onderzoek leert dat in Vlaanderen 18,4 % meer werd opgebracht per gezin dan in Wallonië. Berekend per inwoner daalt dat getal tot 6,1 % meer per Vlaming. Voor Hannes is de verklaring eenvoudig: de groei van de directe belastingen werd door de politici afgeremd om het aantal cijnskiezers te beperken. Tot het einde van de 19de eeuw was het stemrecht beperkt tot mannen die een bepaald bedrag aan belastingen betaalden. De elite had er alle belang bij om die groep zo klein mogelijk het houden. Daarom werd het belastingsysteem amper aangepast. Die conservatieve houding merken we zeer goed bij de evolutie van de grondbelasting. Die werd bepaald op basis van het kadastraal inkomen (KI). Pacht- en huurprijzen veranderen voortdurend, zodat regelmatig een herziening van de kadastrale inkomens vereist is. "Tot en met 1836 verwezen de kadastrale inkomens naar de marktprijzen en pachten van de jaren 1785-1810. De Vlaamse provincies waren toen nog welvarend of kenden alvast meer welvaart dan de Waalse provincies. Nadien is de toestand gekanteld en is de Waalse regio sneller gaan groeien," stel Hannes vast. Daaruit volgt dat in de 19de eeuw de KI's in Wallonië sterk zouden moeten stijgen en een steeds groter deel van de grondbelasting voor hun rekening zouden moeten nemen. Met de industrialisering kregen gebouwde eigendommen een steeds groter gewicht in de vastgoedbelasting. Maar dat werd niet duidelijk in de evaluatie van de grondbelasting. Het KI werd slechts twee keer gecorrigeerd. In 1836 en in 1867. Die laatste herziening steunde op de prijzen van de jaren 1849-1858. De relatieve waardevermindering van de factor grond werd dus onvoldoende opgemerkt en de sterke toename van het huizenbestand en de industriële gebouwen in Wallonië al evenmin. Nog in 1914 werden de criteria gebruikt van het midden van de vorige eeuw en het KI van de gebouwen steeg in het rurale Vlaanderen even sterk als in het industriële zuiden. Vlaanderen werd belast op het verleden. De vooral Waalse nijverheidsgebouwen werden door de fiscus ongemoeid gelaten. Hannes is formeel: "Er was duidelijk sprake van onwil om de reële evolutie van de waarde van de industriële gebouwen te volgen."Ook de bedrijfsbelasting of het patentrecht voldeed niet als fiscaal instrument. Ze werd berekend op basis van de vermoedelijke winstgevendheid, zoals die in de wet van 1819 werd vastgelegd. Bovendien werden fiscale plafonds ingevoerd, zodat grote bedrijven nauwelijks belast konden worden. In 1819 kon immers niet worden voorspeld dat er bedrijven zouden ontstaan met duizenden arbeiders. Ze kwamen er wel en ze betaalden het maximum dat ook al werd betaald door bedrijven met driehonderd werklieden. Die absurde wetgeving werd pas na 1918 vervangen. Hannes: " De fiscale wetgeving werd niet aangepast aan de economische en vooral technologische ontwikkelingen. De fiscus belastte mosterdmolentjes en de rugzak van straatventers, maar had geen oog voor hoogovens en andere industriële complexen." Eigenaars van steengroeven en koolmijnen dienden zelfs geen bedrijfsbelasting te betalen. Geen wonder dus dat het patentrecht meer opbracht in Vlaanderen dan in het industriële Wallonië. De personele belasting, een belasting op uiterlijke tekenen van welstand, was helemaal een lachertje. Het was een goedbedoeld, maar slecht uitgevoerd fiscaal instrument. De fiscus keek naar de huurwaarde van de woning, het aantal deuren en vensters, het aantal haarden, de waarde van het meubilair en naar het aantal meiden en knechten en luxepaarden. In het hongerjaar 1846 waren 46,3 % van de Vlaamse en 35,4 % van de Waalse gezinnen ingeschreven op de rol van de weeldebelasting. Bovendien bracht een betalend gezin in Vlaanderen gemiddeld 10,5 % meer op dan de lotgenoot in het zuiden. Vlaanderen bracht veel meer personenbelasting op omdat de huishuur er hoger lag omwille van de hogere bevolkingsdichtheid. In het jaar 1900 waren de cijfers niet anders en betaalde een Vlaams gezin 38 % meer dan het Waalse. Hannes: "Het parlement heeft geweigerd de wet van 1822 aan te passen aan de realiteit. Alleen een oorlog kon het oude systeem doen vergeten."Dat Wallonië zo weinig betaalde, was voor Hannes een verrassing. "Wallonië was rijk maar de fiscus kon die rijkdom niet vinden. De Waalse bevolking heeft er evenmin van genoten. Dat komt door Brussel. Daar liep de concentratie van rijkdom de spuigaten uit." Een analyse van de belastingen die de nv's moesten betalen (maximum 2 % van de uitbetaalde winst) leert dat die zich vooral in Brussel situeerden. Als daar zoveel belastingen werden betaald, betekent dat eenvoudig dat de winsten van de Waalse bedrijven in Brussel werden geteld en verdeeld. "Wallonië werd deskundig leeggehaald. En dat is tot vandaag een probleem voor Vlaanderen," besluit Hannes. Juul Hannes: 'De mythe van de omgekeerde transfers. Fiscale prestaties van Vlaanderen, Wallonië en Brabant 1832-1912', Roularta, 118 blz., 15,90 euro.Alain Mouton