Surf even naar YouTube en tik 'Puur Persoonlijk Guy Verhofstadt' in. U komt dan bij de gelijknamige Canvas-reportage. Een VRT-journaliste volgde in 2007-2008 wekenlang Guy Verhofstadt (Open Vld) op de voet. De uitzending begint met een discussie over de begrotingscijfers. Verhofstadt maakt zijn kabinetschef Wouter Gabriëls duidelijk dat de regering naar buiten moet komen met een tekst waarin staat dat de begroting in evenwicht zal zijn. "Flauwekul", zegt Gabriëls daarop. "Geen flauwekul", antwoordt Verhofstadt. "Het zal trouwens zo zijn. Al moet ik de tekst zelf schrijven."
...

Surf even naar YouTube en tik 'Puur Persoonlijk Guy Verhofstadt' in. U komt dan bij de gelijknamige Canvas-reportage. Een VRT-journaliste volgde in 2007-2008 wekenlang Guy Verhofstadt (Open Vld) op de voet. De uitzending begint met een discussie over de begrotingscijfers. Verhofstadt maakt zijn kabinetschef Wouter Gabriëls duidelijk dat de regering naar buiten moet komen met een tekst waarin staat dat de begroting in evenwicht zal zijn. "Flauwekul", zegt Gabriëls daarop. "Geen flauwekul", antwoordt Verhofstadt. "Het zal trouwens zo zijn. Al moet ik de tekst zelf schrijven." Het filmpje zegt veel over de persoon Guy Verhofstadt, maar is net zo goed symptomatisch over hoe in die periode naar de overheidsfinanciën werd gekeken: een nominaal begrotingsevenwicht was toen een obsessie. Dat dit meestal gebeurde met knip- en plakwerk van eenmalige maatregelen was van ondergeschikt belang. Anno 2014 wordt het debat over de sanering van de overheidsfinanciën op een meer volwassen manier gevoerd. Op het moment dat dit artikel wordt afgesloten, hebben de federale onderhandelaars het nog altijd over de vraag of er tegen 2016 een begrotingsevenwicht moet worden bereikt, dan wel tegen 2017 of zelfs later. Het structurele begrotingstekort bedraagt trouwens 1,4 procent van het bbp. De discussie gaat deze keer wel degelijk over een structureel begrotingsevenwicht. Dat is een nominaal evenwicht gecorrigeerd voor conjuncturele elementen en eenmalige maatregelen. Het Belgische stabiliteitsprogramma beoogt een structureel begrotingsevenwicht tegen 2016 en een overschot van 0,75 procent van het bbp tegen 2017. Dat structurele overschot zou dan tot 2020 standhouden. Dat zou beantwoorden aan de Europese aanbevelingen om de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te herstellen. In de praktijk betekent dit een sanering van 17,3 miljard euro. Maar bij de federale onderhandelaars gaan stemmen op om het traject te versoepelen. Een structureel begrotingsevenwicht kan beter wachten tot 2017 of zelfs 2018, op voorwaarde dat er 'structurele hervormingen' komen om de vergrijzing op lange termijn betaalbaar te maken of de concurrentiekracht van bedrijven te verbeteren, wat op zijn beurt goed nieuws is voor de arbeidsmarkt, de economische groei én dus de overheidsfinanciën. Waarmee de cirkel rond is. "Het ideale scenario is begrotingsdiscipline én tegelijk structurele hervormingen doorvoeren," zegt Bart Van Craeynest, hoofdeconoom van Petercam. "Vroeger lag de nadruk op het halen van begrotingsdoelstellingen, maar had men geen aandacht voor hervormingen in de arbeidsmarkt, pensioenen en de overheid zelf. Het stabiliteitsprogramma volgen wordt wel zeer moeilijk. Maar als er echt een keuze moet worden gemaakt, dan ga ik voor structurele hervormingen. Er zijn er al twintig jaar lang amper of geen doorgevoerd." Als die hervormingen er komen, zijn de sociale uitkeringen ook in de toekomst gegarandeerd en kunnen andere uitgaven gefinancierd worden zonder een bovenmatige fiscale druk. Die 17 miljard euro moet natuurlijk niet in deze herfst worden weggesneden, dat is werk voor een hele legislatuur. Voor 2015 moet 5,4 miljard worden gevonden, het jaar nadien 2,7 miljard euro, 4,6 miljard in 2017, 1,5 miljard in 2018 en ten slotte 3,1 miljard euro in 2019. Moeilijk, maar haalbaar. Ten minste als de volgende regering de volgende vijf sporen volgt. Het primaire saldo zijn de overheidsontvangsten min de uitgaven zonder de rentelasten. "Daar draait het echt om", zegt Bart Van Craeynest, "Eigenlijk moet dat zo snel mogelijk een aantal procenten boven nul worden." Het primaire saldo fungeert als buffer voor latere sterk stijgende overheidsuitgaven, vooral van de oplopende vergrijzingskosten. Rond de eeuwwisseling bedroeg het primaire overheidssaldo nog meer dan 6 procent van het bbp. Ondertussen is die buffer volledig opgesoupeerd. Het primaire saldo bedraagt dit jaar 0,3 procent van het bbp, of 1,14 miljard euro. Het Europese Stabiliteitspact bepaalt dat het voor België tegen 2017 moet oplopen tot 3,8 procent, of 14,4 miljard euro. Dat wil zeggen dat het verschil tussen overheidsuitgaven en -ontvangsten de komende drie jaar met 13,3 miljard euro moet toenemen. Een zware uitdaging, maar een die met het oog op de vergrijzing noodzakelijk is. Want de stijgende vergrijzingskosten kunnen de buffer van het primaire saldo doen wegsmelten tot 0,2 procent van het bbp in 2050. Van Craeynest: "Ik denk niet dat we die doelstelling van het Stabiliteitspact halen, maar de evolutie van het primaire saldo is belangrijker dan de vraag of de staatsschuld boven of onder 100 procent van het bbp zit. Voor de overheidsfinanciën zijn de komende tien jaar een unieke kans om iets te doen voor de exploderende vergrijzingskosten en een mogelijk stijgende rente." Het primaire saldo optrekken kan op twee manieren. Ofwel verhoogt de regering de inkomsten via nieuwe belastingen, ofwel beperkt ze de uitgaven. Over de absurditeit van een hogere fiscale druk bestaat in België een consensus, zelfs bij de meeste toplui van de vakbonden. Met 45,3 procent van het bbp heeft België al de hoogste belastingdruk van de eurozone. De Europese Commissie voorziet tegen 2015 bij ongewijzigd beleid zelfs een verdere stijging van de fiscale en parafiscale druk tot 46 procent van het bbp. Lagere overheidsuitgaven zijn dus de te volgen weg. De lopende overheidsuitgaven bevinden zich op het hoogste niveau in de geschiedenis. Toch stellen de excellenties van de uittredende regering, sp.a-staatssecretaris John Crombez voorop, dat de federale overheid al voldoende bespaard heeft. Het klopt dat de uitgaven van de federale overheid in 2012 met 2,8 procent zijn gedaald en in 2013 stabiel zijn gebleven. Dat heeft te maken met een daling van het aantal ambtenaren en besparingen op de werkingsmiddelen. Maar daar kunnen twee bedenkingen bij worden gemaakt. De uitgaven voor de algemene overheidsdiensten -- waar inderdaad op bespaard werd -- bedragen in België 30 miljard euro, of 8 procent van het bbp. De kernlanden van de eurozone doen het met 6,5 procent, en de kleine EU-landen (landen als Denemarken, Oostenrijk en Finland zijn een benchmark voor België) komen zelfs toe met minder dan 6 procent van het bbp. Om aan die 6 procent te geraken, moet België 7,6 miljard euro wegsnoeien in de algemene overheidsdiensten. 2 miljard euro kan snel gevonden worden door de helft van de ambtenaren die vertrekken, niet te vervangen. Een tweede bedenking is dat de sociale zekerheid in deze federale uitgaven niet is opgenomen. Daar zijn de uitgaven de voorbije jaren wel toegenomen, jaarlijks gemiddeld 2,6 procent gedurende de voorbije tien jaar. En de RSZ is toch goed voor 85 miljard euro. Daar valt toch wat te besparen. De sociale zekerheid is het grootste zorgenkind van de Belgische overheidsfinanciën. Om te beginnen wordt het stelsel nog voor slechts twee derde door sociale bijdragen gefinancierd. De rest komt van alternatieve financiering -- btw, accijnzen en andere inkomsten voor ongeveer 15 miljard euro -- en daarnaast allerlei overdrachten uit de algemene middelen. Om een sociale zekerheid in evenwicht te krijgen, moet dit jaar 6,19 miljard euro aan 'evenwichtsdotatie' uit de algemene middelen worden doorgesluisd. Een betere financiering van de sociale zekerheid kan door meer mensen aan het werk te helpen en de loopbanen langer te maken. De werkgelegenheidsgraad is in België met 67 procent zelfs lager dan in Frankrijk (bijna 70 %), en nog een heel stuk verwijderd van de 76 procent in Nederland en Duitsland. Een Belgische loopbaan duurt gemiddeld ook maar 32 jaar, 5 jaar minder dan in Duitsland en 9,6 jaar minder dan in Zwitserland. "Mensen langer doen werken is een van de meest dringende structurele ingrepen", weet Bart Van Craeynest. "Vooral de stelsels van vervroegde uittreding moeten nog meer worden afgebouwd." De regering-Di Rupo deed al stappen in die richting, maar het effect van onder andere een verstrenging van het brugpensioen blijft beperkt. De uitgaven van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening (RVA) voor werkloosheid, tijdskrediet en brugpensioen (nu stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag, SWT) bedroegen vorig jaar 9,7 miljard euro. 5,5 miljard gaat naar de uitkering van zuivere werkloosheidsuitkeringen. Het budget voor SWT bedraagt 1,6 miljard. Dat is nog altijd meer dan 16 procent van de totale RVA-uitgaven voor werkzoekenden en inactieven. Ook de uitgaven voor tijdskrediet en loopbaanonderbreking pieken. Ze zijn gestegen van 437 miljoen euro in 2003 tot 833,5 miljoen vandaag. Als inactiviteit of vervroegde uitkering minder aantrekkelijk wordt gemaakt, is dat twee keer goed voor de overheidsfinanciën: minder uitgaven voor uitkeringen, meer inkomsten dankzij sociale bijdragen en personenbelasting. Eerlijk is eerlijk: de uitgaven voor werkloosheid zijn in reële termen het voorbije jaar met 1,2 procent gedaald. Maar voor de rest groeien de uitgaven in de sociale zekerheid nog altijd sterker dan de inflatie. In 2014 is de reële groeivoet van de sociale uitkeringen 2,7 procent. De reële groeinorm in de gezondheidszorg bedroeg een aantal jaar geleden nog 4,5 procent. Die werd onder de regering-Di Rupo afgezwakt tot 2 procent vorig jaar en 3 procent dit jaar. Momenteel ligt een groeinorm van 1,5 procent op tafel. Tegen 2019 zou dat een besparing van 3 miljard euro betekenen. Als het over sociale uitkeringen gaat, praten we automatisch weer over de pensioenen en de langere loopbanen (zie punt 3). Meestal gaat het dan over de privésector, maar stilaan komen ook de overheidspensioenen in het vizier. Die kosten jaarlijks 10 miljard euro en zijn ro-yaal in vergelijking met andere pensioenuitkeringen. Dat hoge bedrag is een gevolg van de aparte berekening van de overheidspensioenen. Die gebeurt meestal op basis van de laatste tien jaar van de loopbaan (vroeger vijf jaar, maar dat is nog altijd een verschil met de privésector waar de hele loopbaan in rekening wordt genomen ), met gunstige loopbaanbreuken en met een perequatie (ambtenarenlonen stijgen niet alleen mee met de inflatie, maar ook met de loonstijgingen in de sector). Het rapport van de Pensioencommissie onder leiding van Frank Vandenbroucke stelt dat de overheidspensioenen meer in de richting van het werknemersstelsel moeten evolueren. Een berekening van de pensioenen op basis van langere periodes dan de laatste tien gewerkte jaren, zou al een stap in die richting zijn. Blijft de vraag of er ruimte is voor belastingverlagingen, zelfs met een overheid die op een minder grote voet leeft. Van Craeynest: "De fiscale druk moet omlaag. Dat kan door tegelijk tal van aftrekposten aan te pakken, zoals de woonbonus." Het debat over concurrentiekracht en fiscaliteit wordt vaak los van de discussie over de 17 miljard euro saneringen gevoerd. De regering-Di Rupo had 1,3 miljard euro lastenverlagingen beloofd tussen 2015 en 2019, maar bleef vaag over de financiering. Bovendien is 1,3 miljard onvoldoende om de Belgische loonhandicap ten opzichte van de buurlanden substantieel te verlagen. De jongste dagen wordt met cijfers gegoocheld. Een verlaging van de werkgeversbijdragen met een kwart zou een loonlastenverlaging van 2 miljard euro inhouden. Een indexsprong is goed voor 2,4 miljard euro lastenverlaging en betekent voor de overheid een besparing van 1,6 miljard euro. En het uitstel van een structureel begrotingsoverschot van 0,75 procent zou 3,5 miljard euro ruimte creëren om lasten te verlagen. Waar wel eensgezindheid over bestaat, is een verschuiving van de lasten op arbeid naar consumptie. Ook Bart Van Craeynest is daarvoor gewonnen. De lastenverlagingen moeten naar de bedrijven gaan, opdat die banen kunnen creëren, wat de sanering van de overheidsfinanciën ondersteunt. Maatregelen om de koopkracht te herstellen via een lagere personenbelasting, komen voor hem op de tweede plaats. "Het is leuker om iedereen iets te geven, zoals de paarse regering deed met de afschaffing van het kijk- en luistergeld. Maar de focus moet nu op jobcreatie liggen. We hebben de voorbije jaren te veel tijd gestoken in de creatie van koopkracht en consumptie, maar die verdwijnt voor 50 procent naar het buitenland. Een zogenoemde taxshift van arbeid naar consumptie via de btw is dus echt nodig. Ook de milieubelastingen kunnen nog omhoog, maar dan moet de fiscale druk elders omlaag." Lagere loonkosten en hogere btw maken de Belgische export goedkoper. De import van buitenlandse producten wordt wel duurder, aangezien btw in het land van consumptie wordt betaald. In België bedraagt het aandeel van de indirecte belastingen in de totale belastingen zo'n 25 procent. Dat is een van de laagste percentages in Europa. De btw-opbrengsten op het Europese gemiddelde brengen, levert 4,5 miljard euro extra op. Als dat bedrag integraal gebruikt wordt voor lastenverlagingen, is dat bijna de helft van de 7 à 8 miljard euro loonkostenverminderingen die de werkgevers vragen. ALAIN MOUTON