Het was een vaak gehoorde kritiek op de regering-Michel: de taxshift, het sluitstuk van het federale regeringsbeleid, slaat een gat in de begroting. De lastenverlagingen op arbeid en de koopkrachtmaatregelen via een verlaging van de personenbelasting die deze legislatuur worden doorgevoerd, zullen onvoldoende gecompenseerd worden door de inkomsten uit andere belastingen. Die kritiek kwam van de Nationale Bank. Maar in een nieuwe studie komt diezelfde Nationale Bank tot een andere conclusie: dankzij de terugverdieneffecten is de taxshift toch grotendeels gefinancierd. Uit de studie van de Nationale Bank zijn drie lessen te trekken.

1. Taxshift is pas in 2021 gefinancierd

De taxshift bestaat uit beleidsimpulsen die de competitiviteit van de bedrijven moeten versterken en de koopkracht versterken. Het gaat om lastenverlagingen op arbeid en verlagingen in de personenbelasting. In totaal gaat het over 9,3 miljard euro over de hele legislatuur. De lasten worden van arbeid verschoven naar andere, minder groeiverstorende belastingen zoals hogere btw, accijnzen en taksen op vermogenswinsten. De lastenverlagingen in de taxshift zijn voor 4,6 miljard euro gefinancierd door maatregelen van de federale overheid. Daarmee is de totale operatie dus niet budgettair neutraal.

Maar het plaatje ziet er volgens de Nationale Bank anders uit als de terugverdieneffecten in rekening worden genomen. En die zijn aanzienlijk. De taxshift zal volgens de Nationale Bank 52.000 extra banen en een economische groei van 1,2 procent opleveren. Op die manier zal de overheid extra belastinginkomsten binnenkrijgen en minder uitkeringen moeten betalen, wat tegen 2021 meer dan 4 miljard euro moet opleveren. Minister van Financiën Johan Van Overtveldt (N-VA), die de studie had besteld, klopte zich op de borst en verkondigde dat de taxshift gefinancierd wordt dankzij de terugverdieneffecten. De waarheid gebiedt te zeggen dat dat niet voor 100 procent zal gebeuren. De federale overheid kan tegen 2021 inderdaad rekenen op een surplus van 179 miljoen euro op de begroting. Per saldo - federale en andere overheden samen - is er in 2021 wel nog een negatieve impact van 627 miljoen euro omdat de deelstaten een deel van de factuur betalen (zie punt 3: de deelstaten gebruiken hun fiscale autonomie te weinig).

Het valt ook nog af te wachten of de terugverdieneffecten er effectief allemaal zullen komen. Overigens is de einddatum waarop de rekening grotendeels zou kloppen 2021: dat is al twee jaar in de volgende legislatuur. Een financiering van de taxshift tijdens deze legislatuur komt er sowieso niet. Dat heeft natuurlijk te maken met het feit dat een aantal maatregelen, zoals de verlaging van de personenbelasting, pas vanaf 2018 op kruissnelheid komen.

2. Belastingen kunnen gerust nog een stuk omlaag

De studie van de Nationale Bank leert dat de belastingen gerust nog een stuk omlaag kunnen. Zeker in een land als België waar de belastingdruk nog altijd hoog ligt. Als de lastenverlagingen zichzelf zo sterk financieren via extra banen, dan kan deze of zeker de volgende regering nog eens een extra belastingvermindering op arbeid doorvoeren en de personenbelasting verlagen. De positieve effecten vallen niet meer te ontkennen. Dankzij de taxshift dragen meer mensen bij en zijn minder mensen afhankelijk van vervangingsinkomens. Dat helpt de sociale zekerheid betaalbaar te houden.

3. De deelstaten gebruiken hun fiscale autonomie te weinig

De effecten van de taxshift zijn goed nieuws voor de federale regering, voor de deelstaten en lokale overheden zijn ze dat wat minder. Die zien hun inkomsten over de periode 2015-2021 dalen door de taxshift. Dat komt omdat de opcentiemen op de personenbelasting een deel van de ontvangsten van de gewesten en van de lokale overheid vormen. De verlaging van de personenbelasting, die de federale overheid in het kader van de taxshift heeft besloten, resulteert dan ook in lagere ontvangsten voor de deelsectoren van de overheid. De deelstaten en lokale overheden kijken tegen 2021 tegen een factuur van 806 miljoen euro aan, waarvan 364 miljoen voor Vlaanderen.

Al kon de situatie nog slechter zijn, aangezien de bijkomende werkgelegenheid van de taxshift leidt tot een sterkere toename van de loonmassa. Dat heeft een gunstige impact op de opcentiemen op de personenbelasting die door de gewesten en de lokale overheid worden ontvangen.

De deelstaten Vlaanderen en Wallonië klagen meermaals over de negatieve impact van de taxshift op de regionale begrotingen. Maar die regionale regeringen kijken het best eens in eigen boezem. Ze beschikken over de - zij het beperkte (40%) - fiscale autonomie om de belastingen via de opcentiemen te verlagen. Maar ze maken veel te weinig gebruik van die fiscale autonomie. Gezien de positieve impact van een belastingverlaging op groei en tewerkstelling, zoals deze studie van de Nationale Bank aantoont, zouden de deelstaten zelf wat meer moeten kiezen voor een daling van de fiscale druk via de personenbelasting. Enkel het Brussels Gewest heeft tot nu toe stappen in die richting gedaan.