De Belgische economie incasseerde dit jaar twee grote schokken. Er is de energiecrisis die bedrijven aanzet tot voorzichtigheid. En de loonkosten lopen snel op door de automatische indexering, waar we tegenover de buurlanden opnieuw met een concurrentiehandicap van meer dan 5,7 procent zitten. De reële bbp-groei was in het derde kwartaal ook nog eens negatief. Een recessie lijkt ingezet.
...

De Belgische economie incasseerde dit jaar twee grote schokken. Er is de energiecrisis die bedrijven aanzet tot voorzichtigheid. En de loonkosten lopen snel op door de automatische indexering, waar we tegenover de buurlanden opnieuw met een concurrentiehandicap van meer dan 5,7 procent zitten. De reële bbp-groei was in het derde kwartaal ook nog eens negatief. Een recessie lijkt ingezet. Toch blijft de Belgische arbeidsmarkt gezond. De Belgische werkzaamheidsgraad bedraagt 71,6 procent, de Vlaamse 76,2 procent. Op jaarbasis is dat telkens een stijging met 1,7 procentpunt. Tegenover het pre-coronajaar 2019 is de stijging respectievelijk 1,3 en 1,2 procentpunt. Het gemiddelde groeitempo in de Europese Unie ligt nog iets hoger: 1,5 procentpunt, van 72,7 naar 74,2 procent. Niks aan de hand, lijkt het. Dé vraag is wat er zal gebeuren als het negatieve economische klimaat aanhoudt. Volgens het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) nemen de bedrijfsinvesteringen af en zal de rentabiliteit van de ondernemingen volgend jaar met 5 procentpunt dalen. Aan zowat de helft van de werknemers in de privésector moet eind januari 2023 een loonindexering van meer dan 10 procent worden toegekend. Zal de arbeidsmarkt dan niet stilvallen? Niet volgens de Nationale Bank en het Planbureau, ook al houden ze een slag om de arm mocht de recessie harder toeslaat dan verwacht. Zij gaan ervan uit dat er dit jaar netto 67.000 tot 85.000 nieuwe banen gecreëerd zijn. Volgens de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid zou die nettowerkgelegenheidscreatie volgend jaar vertragen tot 22.000 à 29.000 eenheden. In 2024 stijgt die opnieuw richting 40.000. Het betekent ook dat het aantal niet-werkende werkzoekenden zou stijgen in 2023, om in 2024 opnieuw te dalen tot een jaarlijks gemiddelde van 441.000 mensen. De werkloosheidsgraad zou historisch laag blijven op 5,7 procent. Een belangrijke indicator voor de gezondheid van een arbeidsmarkt is het aantal ontvangen vacatures. Het Steunpunt Werk, dat de tendensen op de Vlaamse arbeidsmarkt opvolgt, merkte in augustus een daling van het aantal nieuwe vacatures (31.765) op jaarbasis met 5,3 procent. Maar het is voorzichtig met conclusies, aangezien dat cijfer nog altijd groeit tegenover andere jaren. Het is bijvoorbeeld 70,8 procent meer dan in augustus 2020, en 38,1 procent meer dan in augustus 2019. "De hoogconjunctuur in het Vlaamse vacaturelandschap zet zich voorlopig dus nog voort", is de conclusie. Wat wel moet verontrusten, is dat veel vacatures moeilijk ingevuld raken. In augustus stonden 82.620 vacatures open, dat zijn er 16.144 meer dan in dezelfde maand vorig jaar. In mei (84.604), juni (87.130) en juli (85.253) werden zelfs recordniveaus geregistreerd. De zogenoemde spanningsratio schommelt rond 1,8. "Dat betekent dat er minder dan twee werkzoekenden zonder werk en in bemiddeling zijn voor elke vacature. De Vlaamse arbeidsmarkt blijft erg krap", staat in het oktoberrapport van het Steunpunt Werk. En dat terwijl er niet alleen 440.000 werkzoekenden zijn. In België zijn er nog altijd 1,7 miljoen inactieven tussen 25 en 65 jaar. Dat zijn mensen die kunnen werken, maar om uiteenlopende redenen niet op de arbeidsmarkt actief zijn en ook geen werk zoeken. Dat tegelijk tienduizenden vacatures niet ingevuld raken, wijst op een grote mismatch op de arbeidsmarkt. Eén zaligmakende oplossing is er dan ook niet, het moet een breed pakket hervormingen zijn.Vicepremier David Clarinval (MR) stond vorige week op aangeven van zijn partijvoorzitter Georges-Louis Bouchez op de rem over de zogenoemde welvaartsenveloppe. Het gaat om 1 miljard euro die moet worden gebruikt om de uitkeringen (pensioenen, werkloosheid,...) te verhogen, waardoor ze niet alleen worden geïndexeerd, maar ook in reële termen stijgen. De MR wil echter niet dat een deel van dat geld gebruikt wordt om de werkloosheidsuitkeringen op te trekken. "Want een werkloosheidsuitkering die sneller stijgt dan een loon, is een werkloosheidsval", zegt Clarinval. De financiële kloof tussen werken en niet-werken is sowieso al te klein in België. Het is een van de redenen waarom het moeilijk is om werkzoekenden aan de slag te krijgen. De voorbije jaren zijn verschillende werkloosheidsvallen voor lage lonen weggewerkt. Dat gebeurde bijvoorbeeld door een hogere werkbonus, een vermindering van de werknemersbijdrage die maakt dat een werknemer met een laag loon netto meer overhoudt. Maar dat is onvoldoende. Uit cijfers van de Europese Commissie blijkt dat sommige werklozen die beginnen te werken, liefst 91 procent van wat ze daardoor bruto betaald krijgen, onmiddellijk in de staatskas zien verdwijnen. Dat komt door de hoge belastingen op arbeid en omdat sociale voordelen (voor kinderopvang, voor de hoge energiefacturen, ...) wegvallen zodra ze beginnen te werken. Een oplossing is dan ook de lasten op arbeid nog verder te verlagen, zodat het verschil tussen een uitkering en een nettoloon opnieuw groter wordt.In België staat er in principe een Chinese muur tussen een uitkering en een inkomen uit arbeid. Je krijgt het één of het ander. Maar dat principe opent een werkloosheidsval, zoals uit het voorbeeld hierboven blijkt. Het probleem stelt zich het scherpst bij de kortgeschoolden met een lager inkomen. In België is geen 50 procent van hen aan de slag, tegenover 80 procent van de hooggeschoolden. De arbeidsdeal van de federale regering maakt de combinatie van een sociale uitkering en een arbeidsinkomen gemakkelijker. Werklozen die langer dan een jaar werkloos zijn en kiezen voor een knelpuntberoep, behouden gedurende drie maanden 25 procent van hun werkloosheidsuitkering. Ive Marx, arbeidsmarktexpert aan de Universiteit Antwerpen, is al lang voorstander van een gedeeltelijke cumulatie van een uitkering en een inkomen uit werk. In een studie uit 2021 stelt hij het als volgt: "Een combinatie kan sommige uitkeringsgerechtigden ertoe aanzetten om een beroepsactiviteit te aanvaarden of geleidelijk te hervatten, en hierbij werkloosheids- en inactiviteitsvallen vermijden. Er bestaan daarvoor regelingen zoals de Inkomensgarantie in de werkloosheidsverzekering of de Sociaal Professionele Integratievrijstelling in het leefloon. Mede omdat deze regelingen te complex zijn, wordt hier te weinig gebruik van gemaakt. Vereenvoudiging is essentieel." Daarnaast zouden sociale voordelen "minder categoriaal maar meer inkomensgerelateerd moeten zijn". Zodra een werkloze een baan vindt, zouden bepaalde sociale voordelen niet meer direct geschrapt mogen worden, maar wel kleiner worden.België is een van de weinige landen waar de werkloosheidsuitkeringen onbeperkt zijn in de tijd. Daaraan raken is een politiek taboe, ook al vinden steeds meer arbeidsexperts dat België die richting moet uitgaan, al was het maar om een signaal te geven aan de werkzoekenden. Een tussenoplossing kan soelaas bieden. De duurtijd van de werkloosheidsuitkering wordt dan gekoppeld aan de conjunctuur en de evolutie van de werkloosheid. In Frankrijk heeft president Emmanuel Macron zo'n plan klaar. Bij onze zuiderburen heeft een werkzoekende 24 maanden recht op een werkloosheidsuitkering. Daarna stopt het. Vanaf februari 2023 wordt dat 18 maanden, omdat de werkloosheidsgraad onder de 9 procent is gezakt. Stijgt de werkloosheid opnieuw, dan wordt de duurtijd van de uitkering weer verlengd. De maatregel zou wel alleen gelden voor werknemers jonger dan 53 jaar.De verschillen in werkzaamheidsgraad tussen Wallonië (65%), Brussel (64,8%) en Vlaanderen (76%) zijn al jarenlang een probleem. Een van de oorzaken is het verschil in de activering van werkzoekenden. Sinds de staatshervorming van 2011 zijn de gewesten niet alleen bevoegd voor de begeleiding maar ook voor de bestraffing van werklozen. Sinds de coronapandemie van 2020 staat de controle van de werkwilligheid door de arbeidsbemiddelingsdiensten Forem en Actiris op een laag pitje. De sancties voor passieve beschikbaarheid (zich aandienen voor een job zonder intensief te zoeken) zijn gedaald met 13,1 procent. De financiële sancties (korting of schrapping van de uitkering) namen af met 9,3 procent. Het aantal bestrafte werklozen in Wallonië is van 19.252 naar 5.181 gedaald tussen 2019 en 2021. En dat komt niet omdat meer Walen een baan vinden, want de werkzaamheidsgraad bleef in die periode nagenoeg stabiel.Stijn Baert, arbeidseconoom aan de UGent, vergelijkt de arbeidsmarkt vaak met een ijsberg. Iedereen focust op de zichtbare groep werklozen die een baan zoeken, terwijl het niet zichtbare deel van de ijsberg aan de aandacht ontsnapt. Nochtans gaat het om 1,7 miljoen Belgen. Huisvrouwen en -mannen, studenten, vervroegd gepensioneerden, maar vooral arbeidsongeschikten, die met zo'n half miljoen zijn. Minister van Sociale Zaken Frank Vandenbroucke (Vooruit) nam onlangs voorzichtige stappen om die laatste groep en hun werkgevers te responsabiliseren. Bedrijven met relatief veel langdurig zieke werknemers kunnen vanaf 2023 een financiële sanctie krijgen. De langdurig zieken kunnen 2,5 procent van hun uitkering verliezen als ze na lang aandringen blijven weigeren om mee te werken aan een terugkeer naar het werk. Het zijn voorzichtige stappen, die doen denken aan het Generatiepact uit 2005 dat het aantal bruggepensioneerden moest doen dalen. Dat draaide ook vooral om bewustwording. Een echte verstrenging van de stelsels voor vervroegde uittreding kwam er pas na 2011. Arbeidsexperts trekken de parallel met het huidige beleid rond arbeidsongeschiktheid: er is meer nodig om die groep substantieel te doen krimpen. Opnieuw denkt men aan het versoepelen van de regeling voor de combinatie van een arbeidsinkomen en een uitkering.De regering-De Croo wil de werkzaamheidsgraad tegen 2030 optrekken naar 80 procent. Dat betekent dat er 600.000 banen moeten bij komen, totaal irrealistisch volgens arbeidseconomen. Maar de doelstelling blijft wel relevant voor het arbeidsmarktdebat. Zo kun je controleren welke groepen het verst verwijderd zijn van 80 procent. Bij de hooggeschoolden is er geen probleem. De laaggeschoolden hebben nog een lange weg af te leggen vertrekkende vanaf hun minder dan 50 procent werkzaamheidsgraad. Zij moeten op zoek naar laagbetaalde banen, maar die zijn er nauwelijks in België. Volgens de OESO heeft zowat 4 procent van de Belgische werknemers een laagbetaalde baan. In Nederland is dat bijna 15 en in Duitsland 18 procent. Volgens Ive Marx is de oorzaak deels te zoeken in onze sectorale cao's. De laagste lonen die daarin worden vastgelegd, liggen vaak nog een stuk boven het nationale minimumloon, gemiddeld zo'n 19 procent. Slechts 3 procent van de werknemers verdient tussen 100 en 105 procent van het minimumloon. Het resultaat is dat in België een segment van de arbeidsmarkt ontbreekt dat andere landen wel hebben. We hebben ook uitzonderlijk weinig lagergeschoolden aan de slag, en voor migranten van buiten de Europese Unie hebben we zowat het grootste tewerkstellingsdeficit in Europa. Het is voor bedrijven gewoon niet interessant om die groep mensen aan te werven. Dat is een probleem, want wie een laagbetaalde baan heeft, schuift gemakkelijker door naar beter betaalde jobs. "Nederland heeft een aanzienlijk hogere tewerkstellingsgraad onder de lagergeschoolden. Er zijn aanzienlijk meer laagbetaalde banen en dat aandeel is ook sterk toegenomen. Dat komt omdat in Nederland de laagste cao-lonen veel dichter bij het wettelijke minimumloon zijn komen te liggen", zegt Marx in een studie. Hij pleit dan ook voor een meer flexibel loonoverleg aan de onderkant van de arbeidsmarkt, gecombineerd met meer flexibiliteit in arbeidstijden en -organisatie. Dat moet deze groepen een betere toegang tot de arbeidsmarkt geven. Tegelijk pleit hij voor aanvullende inkomenssteun voor diegenen die niet rondkomen. "Een betere combinatie van arbeidsinkomen en vervangend inkomen, dat is de sleutel", besluit Marx.Slechts 43 procent van de niet-EU-burgers in België heeft een baan. Dat is de laagste score van alle kansengroepen. De mate waarin immigranten benadeeld worden bij het vinden van werk hangt af van het immigratiemotief, zo blijkt. De voorbije tien jaar kwamen nieuwkomers in 33 procent van de gevallen naar de Europese Unie om werk te vinden. Bij 32 procent ging het om gezinshereniging. 14 procent waren studenten, 8 procent vluchtelingen. De Belgische cijfers zijn duidelijk verschillend. In de periode 2010-2020 was een baan vinden slechts voor 9 procent van de nieuwkomers een motief. 51 procent kwam naar België in het kader van gezinshereniging. 14 procent was vluchteling. In het geval van gezinshereniging is integratie op de arbeidsmarkt veel moeilijker, door de taal- en cultuurverschillen. Projecten specifiek gericht op arbeidsmigratie bewijzen wel hun nut. Zoals het Migration of African Talents through Capacity building and Hiring-project waaraan België, Nederland, Luxemburg, Italië, Nigeria en Senegal meewerken. Het startte in 2020 met als doel 210 hoogopgeleide IT'ers uit Senegal en Nigeria werk te geven. Verschillende Afrikaanse talenten zijn ondertussen aangeworven door een Belgische onderneming.Het stond in 2014 in het federaal regeerakkoord en nog eens in 2020: de regering zou op zoek gaan naar alternatieven voor de in België dominante verloning op basis van anciënniteit. Daar is nog niet veel van in huis gekomen. De standaard is nog altijd: hoe langer je in een bedrijf werkt, hoe meer je verdient. Dat maakt oudere werknemers vaak een stuk duurder, waardoor ze moeilijker een nieuwe baan vinden. In andere Europese landen zoals Denemarken, Nederland, Zweden, Finland en Duitsland is de loonevolutie veel geleidelijker en stagneert zij zelfs vanaf een bepaalde anciënniteit. In die landen is de tewerkstellingsgraad ook hoger dan in België. Hier werkt 54 procent van de 55-plussers, in Duitsland is dat bijvoorbeeld 71 procent. Dan kan verholpen worden door de verloning meer te laten afhangen van de competenties en de productiviteit. Ook een gemengd systeem is mogelijk, waarin anciënniteit en een resultaatgerichte verloning worden gecombineerd.De werkelijke gemiddelde pensioenleeftijd is in België 63 jaar en bijna 4 maanden. Arbeiders zwaaien gemiddeld af op 62 jaar en 8 maanden, bedienden op 63 jaar en 9 maanden. Dat is een eind onder de wettelijke pensioenleeftijd van 65 jaar. En dat ondanks strengere regels voor vervoegd pensioen en werkloosheid met bedrijfstoeslag. Instellingen als de OESO, de Europese Commissie en het IMF vragen dan ook al jaren dat België een pensioenmalus invoert, een vermindering van de pensioenuitkering per jaar dat iemand vroeger stopt met werken. Een andere mogelijkheid is een koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting, wat volgens de Europese Commissie de pensioenfactuur met 1,3 procent van het bbp of bijna 7 miljard euro per jaar kan doen dalen.In 2021 volgde 6,7 procent van de 18- tot 24-jarigen geen opleiding of had geen diploma secundair onderwijs. Dat probleem aanpakken, kan volgens de Hoge Raad voor de Werkgelegenheid helpen de vele vacatures in te vullen. Daarnaast moet het volgen van STEM-richtingen (science, technology, engineering en mathematics) gestimuleerd worden. "Digitalisering zal banen doen verdwijnen en ontstaan, en leiden tot een nood aan nieuwe competenties. Daarin scoort België slecht, met weinig STEM-studenten en grote moeilijkheden om ICT-vacatures in te vullen", stelt het recentste rapport van de Hoge Raad.