"Geen basis voor onderhandelen, imbuvable", was eind vorige week de reactie van Open Vld op de informateursnota van Paul Magnette (PS). Ook CD&V zei njet. Verdwijnt het document dan in de nevelen van de geschiedenis, zelfs bij onderhandelingen over een paars-groene coalitie? Niet direct.
...

"Geen basis voor onderhandelen, imbuvable", was eind vorige week de reactie van Open Vld op de informateursnota van Paul Magnette (PS). Ook CD&V zei njet. Verdwijnt het document dan in de nevelen van de geschiedenis, zelfs bij onderhandelingen over een paars-groene coalitie? Niet direct. ABVV-voorzitter Robert Vertenueil zegde Paul Magnette in een interview in Le Soir de wacht aan: dat de nota niet langer sprak van een verlaging van de pensioenleeftijd zag de ABVV-voorzitter niet graag, maar voor de rest kon hij de tekst met tal van hogere uitkeringen en sociale uitgaven wel pruimen. "Maar er mag niet te veel meer worden uitgehaald. En voor de financiering van de maatregelen kan geen sprake zijn van besparingen in de sociale zekerheid." Kortom, de nota mag voor de Vlaamse partijen dan wel inbuvable zijn, de linkse geest is uit de fles. Het ABVV en heel links Franstalig België zullen over de schouder van Paul Magnette blijven kijken. De PS-desiderata zijn nu publiek geworden en de linkse druk zal enorm groot zijn om zo weinig mogelijk toe te geven. Straks zet Paul Magnette opnieuw het petje op van PS-voorzitter. Het zou verbazen mocht hij de extra uitgaven uit zijn nota laten vallen. En dat zijn er niet weinig. De sociale uitkeringen worden verhoogd tot boven de armoededrempel (kostprijs 1,7 miljard euro), de minimumpensioenen voor een volledige loopbaan stijgen naar 1500 euro netto tegen 2024 (1,170 miljard euro). En het is gedaan met de lagere uitkeringen voor samenwonenden. Daarnaast zijn extra middelen nodig voor de NMBS. "Hoe wil men dat financieren?" zegt Voka-hoofdeconoom Bart Van Craeynest. "De factuur blijft onduidelijk. De Europese Commissie heeft het signaal gegeven dat hogere overheidsuitgaven mogelijk zijn, maar dan vooral voor landen met een overschot, zoals Duitsland en Nederland. Men kan ervan uitgaan dat een volgende federale regering de norm van een tekort van 3 procent van het bbp respecteert. Maar met de voorstellen uit de nota zal men hard zijn best moeten doen om eronder te blijven. Tenzij de belastingen aanzienlijk worden verhoogd in het land met de op twee na hoogste fiscale druk van de Europese Unie." Volgend jaar loopt het begrotingstekort op tot 2,3 procent van het bbp. Aan het einde van de legislatuur zal dat 2,7 procent zijn. Als ook maar één van de drie hierboven genoemde maatregelen wordt uitgevoerd, stijgt het deficit met minstens 0,3 procentpunt richting 3 procent. Gaat men met het Magnette-plan all the way, dan komt een deficit van 4 procent van het bbp in zicht. Erik Buyst, hoogleraar economische geschiedenis aan de KU Leuven, heeft een déjà vu. "De uitgaven doen stijgen en daarna kijken waar we de inkomsten vandaan moeten halen: ik heb de indruk dat de jaren 70 terug zijn. We kennen de gevolgen: een oplopende overheidsschuld en begrotingstekort. Voor een deel is dat de verantwoordelijkheid van de vorige regering. We hebben eigenlijk amper gemerkt dat de PS niet in die regering zat. Het enige grensverleggende van de vorige regering was het optrekken van de pensioenleeftijd. Ik zie de toestand van de overheidsfinanciën niet direct verbeteren. De nieuwe Europese Commissie is gewonnen voor een lakser begrotingsbeleid." Gert Peersman (Universiteit Gent) sluit zich aan bij Bart Van Craeynest: "De rekening van al die voorstellen moet natuurlijk betaald worden. De voorbije jaren is al heel wat bespaard op de begroting, tenminste buiten de sociale zekerheid. Is he, gezien de vergrijzing, mogelijk nog te besparen in de sociale zekerheid?" Uit een presentatie die Peersman vorige maand gaf aan de Kamercommissie Sociale Zaken blijkt dat het begrotingstekort tegen 2030 stijgt tot minstens 3,7 procent van het bbp en tot 4,7 procent in 2040. "Vergeet niet dat de effecten van de geplande hervormingen, zoals de hogere wettelijke pensioenleeftijd naar 67 jaar in 2030, al verrekend is in de extrapolaties van de Vergrijzingscommissie", legt Peersman uit. "Men gaat ervan uit dat iedereen twee jaar langer zal werken. Als je, zoals voorgesteld, weer vroeger recht geeft op een volledig pensioen, bijvoorbeeld na 42 jaar werken op je 65ste, dan lopen de vergrijzingskosten verder op. Ik ben er altijd voorstander van geweest om de wettelijke pensioenleeftijd sneller gradueel te verhogen. Een andere mogelijkheid is de pensioenleeftijd te koppelen aan de levensverwachting. De vergrijzingskosten kunnen dan op lange termijn met 1,7 procent van het bbp dalen." Van die maatregelen is in de nota niets terug te vinden. "Ook niet over de ambtenarenpensioenen of de gelijkgestelde periodes", stelt Van Craeynest vast. Gelijkgestelde periode zijn de jaren dat men niet werkt (door werkloosheid, ziekte,...) maar die bij de berekening van het pensioen toch worden geteld als gewerkte jaren. Volgens een studie van Planbureau maken de gelijkgestelde periodes gemiddeld ongeveer een derde van de loopbaan uit. Worden die ook meegerekend in de 42 jaar loopbaan voor een volledig pensioen die in de nota van Magnette staat? Dat is onduidelijk. Een andere opvallende maatregel in de nota is de geleidelijke verhoging van het minimumloon. In 2024 zou dat uiteindelijk 14 euro per uur of 2300 euro per maand moeten bedragen, 40 procent meer dan nu. Daarmee zou België het hoogste minimumpensioen in de Europese Unie hebben. De werkgevers in de Groep van Tien, het interprofessioneel overleg, reageerden zeer kritisch op het voorstel met een virulent persbericht: "Het voorstel is onaanvaardbaar omdat volop sociaal overleg bezig is in uitvoering van het interprofessioneel akkoord. Er is tussen alle sociale partners, met uitzondering van het ABVV, een akkoord om de minimumlonen met 1,1 procent op te trekken en er wordt gesproken over een bijkomende stap. Daarnaast is dit voorstel economisch destructief. Jobs die betaald worden tussen het minimumloon en 2300 euro per maand zijn meestal jobs voor laaggeschoolden, met een beperkte productiviteit. Bovendien komen deze jobs relatief vaak voor in sectoren die het al moeilijk hebben om te overleven. De werkgever heeft dus niet veel marge om loonsverhogingen toe te kennen. De kostprijs van deze banen zo drastisch optrekken - zonder compensatie voor de betrokken werkgevers - zal dus onvermijdelijk tot zwaar jobverlies leiden. Heel wat laaggeschoolden en kansengroepen zullen hierdoor hun werk verliezen." Hogere minimumlonen verhogen de loonkosten en dat tast altijd de Belgische concurrentiekracht aan. Na de taxshift van de vorige regering en een bijsturing van de wet op het concurrentievermogen leek de evolutie van de Belgische loonkosten ten opzichte van die in de drie buurlanden onder controle. De loonkostenhandicap sinds 1996 is weggewerkt. De historische handicap van voor 1996 daalde de voorbije jaren lichtjes, van 12,3 naar 11 procent. Een versoepeling van de wet op het concurrentievermogen dreigt de loonkostenhandicap opnieuw te doen oplopen. "De verbetering van de concurrentiekrachtpositie lijkt gestopt", waarschuwt bovendien KBC-econoom Johan Van Gompel. "Dat blijkt uit cijfers van de OESO. De relatieve arbeidskosten per eenheid product (dat is gecorrigeerd voor productiviteit) zijn weer wat opgesprongen en ook het marktaandeel op de afzetmarkten is iets verslechterd. De groei van onze uitvoer is kleiner dan de invoergroei op onze afzetmarkten en dus verliezen we marktaandeel." Een hoger minimumloon vergroot wel de kloof met een uitkering, waardoor werken aantrekkelijker wordt. Pieter Timmermans, topman van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO), relativeert: "Dat oogt positief, maar als de loonkosten voor laagproductieve arbeid te hoog worden, dreigen machines de plaats van mensen in te nemen. Een hoger minimumloon is dus vooral problematisch voor de jobcreatie voor laaggeschoolden." En dat is net het zwakke punt van de Belgische arbeidsmarkt. De activiteitsgraad - het aandeel mensen tussen 15 en 65 jaar dat zich aanbiedt op de arbeidsmarkt - is in België bijna 69 procent, maar bij de laaggeschoolden is dat amper 41 procent. Van de Waalse laaggeschoolden is dat zelfs maar 36,8 procent. Van Craeynest: "Er zijn de voorbije jaren duizenden banen bij gekomen, maar de jobcreatie voor laaggeschoolden blijft een probleem." Zelfs als een hoger minimumloon die laaggeschoolde werklozen en inactieven toch aanzet om een baan te zoeken, wordt die incentive door andere voorstellen gecounterd. De informateursnota bepleit een verhoging van alle uitkeringen tot boven de armoedegrens. Hogere werkloosheidsuitkeringen maken de kloof met werken dus weer kleiner en vergroten de werkloosheidsval, zeker omdat onze werkloosheidsverzekering nog altijd onbeperkt is in de tijd, en slechts heel traag daalt. Timmermans: "De keuze zal zich dus des te scherper stellen: ofwel een beperking van de werkloosheidsuitkering in de tijd, ofwel meer controle op de beschikbaarheid voor de arbeidsmarkt. Het haasje-over van hogere uitkeringen, dan weer hogere minimumlonen, gevolgd door weer hogere uitkeringen, en dan weer meer minimumloon kost handenvol geld en is nefast voor de werking van onze arbeidsmarkt." Bovendien staat in de nota van Paul Magnette een strengere aanpak van de dagcontracten in de uitzendsector. Dat betekent het terugdraaien van een van de weinige vormen van arbeidsmarktflexibiliteit in België. Er is sprake van een recht op heroriëntering: een aantal keer in de loopbaan kan een werknemer zelf ontslag nemen en toch een een uitkering krijgen. In zijn zuivere vorm betekent dat het op slot zetten van de arbeidsmarkt. "Op zich is dat geen absurd voorstel", zegt Jan Denys, arbeidsmarktspecialist van Randstad. "Maar dat kan enkel als je de uitkeringen in de tijd beperkt en de ontslagregeling aanpakt. Je moet voor zo'n uitkering ook eerst rechten kunnen opbouwen. Anders is zo'n voorstel belachelijk."Ook het voorstel om het vaderschapsverlof uit te breiden tot twintig dagen, en ouders het recht te geven verlof aan elkaar over te dragen, kan op weinig genade rekenen. "De verlenging van het vaderschapsverlof verzwaart de lengte en het aantal verlofstelsels in België", zegt Pieter Timmermans van het VBO. "België is al de wereldkampioen in dagen verlof. Het wordt hoog tijd dat de Kamer, zoals gevraagd door de sociale partners in de aanbevelingen van de Nationale Arbeidsraad, werk maakt van geharmoniseerde en uniforme verlofsystemen. Het kan niet de bedoeling zijn die stelsels nog uit te breiden, wel integendeel. Dat moet passen in een algemene hervorming van de Belgische verlofsystemen, die een prioriteit moet zijn in de volgende legislatuur. We pleiten voor een systeem dat inzet op een betere combinatie tussen werk en gezin, de gendergelijkheid bevordert, een efficiënte arbeidsorganisatie beoogt, eenvoudiger, transparanter en sociaal rechtvaardig is en budgetneutraal. Het onvoorwaardelijke recht op vaderschapsverlof bestaat vandaag uit drie dagen gewaarborgd loon, die door de werkgever worden betaald, en zeven dagen uitkering door het ziekenfonds. De uitbreiding van die uitkering heeft een grote budgettaire impact op de sociale zekerheid."