In 2018 groeide de Waalse economie met 1,3 procent, leren de jongste regionale groeicijfers van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR, de cijfers voor 2019 blijken nog niet beschikbaar). Meer dan in Brussel (1,0%) maar nog altijd een stuk minder dan in Vlaanderen: 1,7 procent. Van het verschil tussen de Belgische regio's kijkt niemand nog op. Er heerst een zekere gelatenheid wanneer groeicijfers of andere parameters de economisch kloof tussen het noorden en het zuiden van België zichtbaar maken.
...

In 2018 groeide de Waalse economie met 1,3 procent, leren de jongste regionale groeicijfers van het Instituut voor de Nationale Rekeningen (INR, de cijfers voor 2019 blijken nog niet beschikbaar). Meer dan in Brussel (1,0%) maar nog altijd een stuk minder dan in Vlaanderen: 1,7 procent. Van het verschil tussen de Belgische regio's kijkt niemand nog op. Er heerst een zekere gelatenheid wanneer groeicijfers of andere parameters de economisch kloof tussen het noorden en het zuiden van België zichtbaar maken. Nochtans mochten minder grote verschillen worden verwacht, gezien de internationale economische omgeving. KBC-econoom Johan Van Gompel stelt in een korte studie over de regionale groeiverschillen dat het "de verwachting was dat de Vlaamse economie relatief meer dan de Waalse en de Brusselse te kampen zou hebben met de internationale en specifiek Europese conjunctuurvertraging die zich in de loop van het jaar manifesteerde". De meer exportgerichte Vlaamse economie zou dus zwaarder moeten worden geraakt. Quod non. Ook tijdens de financiële crisis, de Europese schuldencrisis en haar uitlopers scoorde Vlaanderen beter. De cijfers die de KBC-econoom verzamelde, zijn duidelijk: sinds de jaren zestig kon Vlaanderen steevast betere groeicijfers voorleggen dan Wallonië. De periode tussen 2000 en 2008 was een uitzondering. Toen was de groei in beide regio's even sterk. De Waalse economie was toen niet aan een inhaalbeweging bezig, zoals soms wordt beweerd, alleen werd de kloof niet groter. Sinds 2008 is het reële bruto binnenlands product (bbp) van Vlaanderen met bijna 14 procent toegenomen, in Wallonië is dat nog geen 7 procent (zie grafiek Enkel in 2000-2008 hield Waalse groei gelijke tred met Vlaanderen). "Dat Wallonië en Brussel sinds 2008 minder groeiden dan Vlaanderen, was zowel aan hun lagere werkgelegenheidsgroei als aan hun lagere productiviteitsgroei te wijten", zegt Van Gompel. Die stelling wordt beaamd door enkele kenners van de Waalse economie, bij wie Trends ging aankloppen. Ze leggen de vinger op de Waalse economische wonden. Sinds enige tijd is er geregeld positief nieuws over de Waalse arbeidsmarkt. In 2014 waren er goed 1.080.000 Walen aan de slag, vorig jaar werd de kaap van de 1.140.000 overschreden. De Waalse werkzaamheidsgraad steeg van 61,4 procent naar 63,6 procent. Cijfers van de Waalse werkgeversorganisatie Union Wallonne des Entreprises (UWE) leren dat de werkloosheidsgraad in het tweede kwartaal van 2019 is gedaald tot een historisch minimum van 6,8 procent. Datzelfde UWE zag eind 2018 een werkloosheidsgraad van 9 procent als een structureel laagterecord. "Het gaat al jaren de positieve richting uit met de Waalse arbeidsmarkt", zegt Joseph Pagano, professor economie aan de universiteit van Bergen. "En het is goed dat de Waalse regering de ambitie heeft de werkzaamheidsgraad deze legislatuur met 5 procentpunt op te trekken. Sinds 2000 is de Waalse economische situatie gestabiliseerd, tenminste in verhouding tot de Belgische parameters. Maar van een inhaalbeweging ten opzichte van Vlaanderen is geen sprake. Dat is een illusie, want dan zou de groei in Vlaanderen moeten stilvallen. Het zou al goed zijn als we op termijn het Belgische gemiddelde bereiken. Maar dat zal één of twee decennia duren." "De Waalse werkzaamheidsgraad stijgt, maar blijft te laag ten opzichte van de 75 procent in Vlaanderen", zegt Waals-Brabander Eric Dor, director of economic studies aan de managementschool Iéseg in Rijsel. "Ik zie geen enkele Waalse inhaalbeweging. In 2000 bedroeg het Waalse bbp per inwoner 73,02 procent van het Belgische gemiddelde. In 2018 was dat nog altijd maar 72,23 procent. Die stabilisering van Wallonië is een gevolg van een dalend bbp per inwoner van Brussel dat het Belgische gemiddelde omlaag trekt. Ten opzichte van Vlaanderen is de situatie sinds 2011 aanzienlijk verslechterd, om te stabiliseren na 2016. Het Waalse bbp per inwoner bedraagt 70,91 procent van het Vlaamse, terwijl dat aan het begin van vorig decennium nog meer dan 74 procent was." "Toch opletten met dat bbp per capita van een regio", waarschuwt Pagano. "Het regionale bbp heeft betrekking op de waarde die op het territorium wordt gecreëerd. Ik verkies het primaire inkomen van de bewoners van het gewest. Dan neem je ook de toegevoegde waarde mee die werknemers op een ander grondgebied creëren. Vergeet niet dat er verhoudingsgewijs meer Walen buiten het gewest werken dan Vlamingen." 8 procent van de Vlamingen werkt in Brussel en 1,66 procent in het buitenland. Voor de Walen zijn die verhoudingen 9,17 en 5,25 procent. "Veel Duitstaligen zijn in Duitsland aan de slag, veel Walen steken de grens naar Frankrijk over of werken in het groothertogdom Luxemburg", zegt Pagano. Het primaire inkomen per inwoner van Wallonië bedraagt 22.380 euro, terwijl dat in Vlaanderen 27.914 is. Het Waalse primaire inkomen per inwoner ligt met 80,2 procent van het Vlaamse inderdaad hoger dan het relatieve regionale bbp per capita. "Het verschil tussen de regio's is te verklaren door de lagere Waalse inkomens, het feit dat ze minder sparen en minder rijkdom hebben verzameld", zegt Eric Dor. "Het primaire inkomen uit arbeid per Waal bedraagt 82 procent van het Vlaamse. De oorzaak is dat de werkzaamheidsgraad ondanks de toename te laag blijft. En dat is maar een deel van het verhaal. Het optrekken van de activiteitsgraad is op zijn minst een even grote uitdaging. Slechts 63,94 procent van de Walen op arbeidsleeftijd werkt of biedt zich aan op de arbeidsmarkt. In Vlaanderen is dat 70,6 procent. Zelfs als je de studenten en de oudere werknemers niet meetelt, en je je beperkt tot de groep van de 25- tot 55-jarigen, dan is de Vlaamse activiteitsgraad 88 procent en de Waalse 81 procent. Daar moeten de beleidsmakers werk van maken." De economen pleiten voor een betere activering van de werkzoekenden en een focus op de inactieven. Een hervorming van het werkloosheidsstelsel - meer degressiviteit of een beperking van de uitkeringen in de tijd - is ook een optie, maar dat ligt gevoelig in Wallonië. "De beperkte activiteitsgraad heeft ook te maken met een gebrek aan voldoende opgeleide mensen", stelt Dor. Van de Waalse laaggeschoolden biedt slechts 36,8 procent zich aan op de arbeidsmarkt. Het Europese gemiddelde is 53,6 procent. "Het bewijst dat er iets schort aan het Franstalige onderwijssysteem", zegt Dor. "Een stijging van het aantal beter opgeleiden zal de werkzaamheidsgraad optrekken." Begin februari raakte bekend dat 935 banen in gevaar zijn bij de Belgische tak van de farmareus GlaxoSmithKline (GSK), de grootste Waalse privéwerkgever met meer dan 9000 werknemers. Waals minister van Economie Willy Borsus (MR) haastte zich om de impact te relativeren. Volgens cijfers van de Waalse competitiviteitspool BioWin komen er de komende drie jaar 2400 banen bij in de Waalse biofarmasector. Dat kan de schok opvangen. Borsus pakte de voorbije weken ook uit met cijfers die moeten aantonen dat het Waalse bedrijfsweefsel gezond is. De buitenlandse investeringen in Wallonië bereikten in 2019 met 1,8 miljard euro een record. De voorbije twee jaar nam de Waalse export telkens met 8 procent toe. Goed voor 45 miljard euro. Een stuk minder dan Vlaanderen (208 miljard euro), maar volgens Borsus is Wallonië op de goede weg. Alleen tonen cijfers van het UWE dat twee derde van de export te danken is aan de farmasector. "Het gebrek aan diversiteit in de export is een probleem", aldus Dor. "Er zijn succesvolle Waalse bedrijven, maar ze opereren op een eiland. Het zijn oases." Dat zegt ook Jean-Yves Huwart, ondernemer en auteur van het boek Pourquoi la Wallonie ne se redresse pas? "Het Biopark van Gosselies kan de internationale benchmarks doorstaan. Het aantal banen daar is misschien niet indrukwekkend, maar op een beperkte oppervlakte wordt toch een grote economische toegevoegde waarde gecreëerd. Maar een oase is geen bos. De goede Waalse economische leerlingen zijn de biotech- en de farmasector en de provincie Waals- Brabant. Dat zijn dus uitzonderingen." Het Waalse netwerk van bedrijven functioneert ondermaats, leren de cijfers. De Waalse productiviteitsgroei is de voorbije tien jaar ook zo goed als stilgevallen, wat erop wijst dat de kwaliteit van het Waalse economische weefsel zwaar onder druk staat. Ook de innovatie en de aandacht voor onderzoek en ontwikkeling kan beter. In Vlaanderen krijgt 75 procent van de industriële bedrijven het etiket innoverend, in Wallonië is dat minder dan 60 procent. "Wallonië kent nog altijd een nettocreatie van ondernemingen, er komen er meer bij dan er verdwijnen", weet Joseph Pagano. "Maar ze groeien te weinig door. Er is ook een mentaliteitswijziging nodig. De Waalse economische geschiedenis is er één van grote bedrijven. Toen de oude industrie al achteruit boerde, besloot Caterpillar zich in Charleroi te vestigen. Iedereen wou daar aan de slag omdat het een groot bedrijf was. Men zag het als een baan voor het leven. Ondertussen is Caterpillar weg. Er heerst een nostalgie naar grote bedrijven. Dat heeft de overgang naar een economie met een gezonde mix van grote multinationals en kleine bedrijven afgeremd. Hopelijk verandert dat met de jongere generatie. Een economische mix is nodig om die andere groeifactor te ondersteunen: de productiviteitsgroei." Gemiddeld heeft een onderneming die rechtstreeks levert aan een multinational een productiviteitsniveau dat 28 procent onder dat van de multinational ligt. Die kloof loopt op tot 44 procent voor ondernemingen die geen banden met multinationals hebben. "Dat toont aan hoezeer de doorgroei van de Waalse bedrijven nodig is", zegt Pagano. Jean-Yves Huwart sluit zich daarbij aan: "Te veel Waalse bedrijven zijn in zichzelf gekeerd. Ze zijn tevreden als ze jarenlang voor twee of drie klanten werken als onderaannemer of leverancier." Het was een van doelstellingen van de Waalse marshallplannen om de groei van bepaalde bedrijfssectoren te stimuleren, zoals de biotech, de logistiek, de agrobusiness en de luchtvaart. De Waalse experts zijn verdeeld over het resultaat. "Het marshallplan heeft een positieve impact gehad en heeft geleid tot meer samenwerking tussen bedrijven en universiteiten", aldus Pagano. "Maar dat gaat vooral over grote bedrijven. Die doen ook meer aan onderzoek en ontwikkeling." Jean-Yves Huwart heeft weinig positieve woorden over voor de marshallplannen: "Er zijn door het marshallplan minder banen bij gekomen dan het aantal banen dat is verloren gegaan na de sluiting van Caterpillar in Gosselies (12.000 banen, nvdr). Er kwamen amper twintig nieuwe bedrijven bij, terwijl het budget van de marshallplannen tussen 2005 en 2014 700 miljoen euro bedroeg. Grote onderzoekscentra hebben als eerste geprofiteerd van de kredieten die werden vrijgegeven. Zij kregen 55 procent van de middelen, tegenover 29 procent voor kmo's en 15 procent voor andere bedrijven." Er zijn nochtans voldoende publieke en semipublieke instanties die middelen verstrekken aan groeibedrijven, zoals Sambrinvest en Noshaq (het vroegere Meusinvest). "Misschien is het wat kort door de bocht, maar die bedrijven innen het geld en kunnen daarna doorgroeien vanuit Gent, Parijs of Antwerpen", zegt Jean-Yves Huwart. "Als er succesverhalen zijn, dan zijn het vaak ondernemers die het volledig op eigen kracht doen. Neem de bedrijfssoftwaremaker Odoo, die internationaal gaat. Die is niet ontstaan in een bedrijvenpark in Luik of op de campus van Louvain-la-Neuve. Wel in een oude hoeve in Haspengouw." Wie innovatie zeg, zegt ook digitalisering. "De Waalse bedrijven besteden verhoudingsgewijs minder aandacht aan digitalisering op tal van domeinen." 75 procent van de Waalse ondernemingen met meer dan tien werknemers beschikt over een eigen website. Dat percentage daalt tot 40 procent bij de kleinere bedrijven. "Daarnaast is er nog een probleem voor de bedrijven die in de digitale sector actief zijn", zegt Jean-Yves Huwart. "De totale toegevoegde waarde van de digitale sector komt voor slechts 10 procent uit Wallonië. De ondernemingen uit die sector maken slechts 1,4 procent van het Waalse bbp uit, in Vlaanderen is dat 2,6 procent." Jaarlijks stelt het Agence du Numérique vast dat Waalse bedrijven in de automatisering van processen en e-commerce achterophinken. Maar volgens de Waalse beleidsmakers komt daar verandering in met de komst van de Chinese e-commercegigant Alibaba, die in Luik een logistiek centrum wil bouwen (3000 banen vanaf 2021). Alibaba zou zijn digitaal platform eWTP ter beschikking willen stellen van Belgische en Chinese kmo's die met elkaar handel drijven, een soort van virtuele zijderoute. Huwart is sceptisch: "IJdele hoop. De Waalse bedrijven zijn digitaal nog onvoldoende ontwikkeld." Ook de overheid en de scholen kampen met een digitale kloof. Per 100 leerlingen in het Waalse middelbaar onderwijs zijn er 11,2 pc's of tablets beschikbaar. De digitale penetratiegraad op de scholen bedraagt amper 10 procent, terwijl het Europese gemiddelde 23 procent is. Het verschil met de rest van België valt ook op. In de scholen van De Duitstalige Gemeenschap kan 43 procent van de leerlingen een beroep doen op een tablet of computer, in Vlaanderen is dat voor het middelbaar onderwijs zelfs 56,5 procent. "In Wallonië heeft 37 procent van de inwoners een diploma hoger onderwijs tegenover 47 procent in Vlaanderen", zegt Eric Dor. "Ook dat weegt op de productiviteitsgroei en heeft een impact op de werking van de arbeidsmarkt. Waals-Brabant is een uitzondering met 10 procent meer hooggeschoolden dan in het naburige Vlaams-Brabant." Daarnaast staat de kwaliteit van het Franstalige onderwijs zwaar onder druk. De PISA-cijfers ( Programme for International Student Assessment) van de OESO laten weinig ruimte voor interpretatie. In 2003 haalden de leerlingen in het Franstalige onderwijs voor wiskunde een PISA-score van 498 punten, net onder het OESO-gemiddelde van 500. In 2018 was de score gedaald tot 489. Vlaanderen haalt 521 punten. In 2016 leerde slechts 37 procent van de kinderen in het Franstalige onderwijs een vreemde taal aan, blijkt uit een Eurostat-studie. Het Europese gemiddelde is 84 procent. Enkel Portugal scoort slechter dan het Franstalige onderwijs. "Dit is een dubbel nadeel", zegt Jean-Yves Huwart. "Het verhindert de internationalisering van de bedrijven en is een rem voor buitenlandse investeerders. De kennis van het Engels bij de lokale bevolking is een factor van aantrekkelijkheid voor multinationals."