In juni publiceerde de OESO nieuwe cijfers, die aantonen dat de Belgische loonkosten dit en volgend jaar sterk stijgen. De hogere inflatie en de automatische loonindexering vergroten snel de kloof met onze belangrijkste handelspartners Duitsland, Frankrijk en Nederland. In de periode 2021-2023 loopt de gecumuleerde inflatie in België op tot bijna 18 procent, tegenover 12 procent in Frankrijk, 16 procent in Duitsland en 17,5 procent in Nederland. Daardoor stijgen de loonkosten per werknemer in België dit en volgend jaar gecumuleerd met 14,1 procent, tegenover 9,3 procent bij de buren.
...

In juni publiceerde de OESO nieuwe cijfers, die aantonen dat de Belgische loonkosten dit en volgend jaar sterk stijgen. De hogere inflatie en de automatische loonindexering vergroten snel de kloof met onze belangrijkste handelspartners Duitsland, Frankrijk en Nederland. In de periode 2021-2023 loopt de gecumuleerde inflatie in België op tot bijna 18 procent, tegenover 12 procent in Frankrijk, 16 procent in Duitsland en 17,5 procent in Nederland. Daardoor stijgen de loonkosten per werknemer in België dit en volgend jaar gecumuleerd met 14,1 procent, tegenover 9,3 procent bij de buren. Volgens de vakbonden zal onze hoge productiviteit de hoge loonkosten wel compenseren. De OESO berekende dat de productiviteit van een Belgische werknemer 11 procent hoger is dan van een Franse, 13 procent hoger dan van een Nederlandse en 18 procent hoger dan van een Duitse werknemer. In een kritische analyse van de loonnormwetgeving stellen de vakbonden dat de werkgevers geen argument hebben om te spreken van een "loonkloof van om en bij 10 procent, waarbij ze enkel de absolute uurloonkosten vergelijken, zonder met de productiviteit rekening te houden". De vakbonden baseren zich op cijfers van de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB): "Al naar gelang de berekeningsmethode werd in 2018 een loonkloof van 1,2 procent of een overschot van 1,5 procent vastgesteld. In 2019 werd een kloof van 1,3 procent, dan wel een overschot van 1,4 procent vastgesteld, maar die cijfers zijn enigszins in het nadeel van België, vertekend door een methodologisch probleem bij de berekening van de uurloonkosten in Frankrijk." Geen probleem dus? Integendeel, toont een update van OESO-cijfers door Geert Janssens, de hoofdeconoom van de werkgeversorganisatie Etion. Hij onderzoekt de loonkosten per eenheid product, gecorrigeerd voor productiviteit dus. Janssens: "Die maatstaf geeft weer wat het kost om een eenheid welvaart te creëren, en is een goede indicator van de evolutie van onze loonkostenhandicap en onze concurrentiekracht. Gemeten sinds 1996, zullen onze loonkosten gecorrigeerd voor productiviteit volgend jaar om en bij 7 procentpunten hoger liggen dan bij de buren. De snellere toename van de loonkosten bij ons wordt niet gecompenseerd door een snellere toename van de productiviteit. Dit en volgend jaar zal de productiviteit in België stijgen met 1,2 procent, tegenover 1,6 procent bij de buren." Niet alleen stijgen de uurloonkosten hier dus sneller, er is hier bovendien minder compensatie van de productiviteitsgroei dan in onze buurlanden. Volgens Janssens is een recordniveau aan loonkostenhandicap een mogelijkheid. In 2008 lagen de loonkosten per eenheid product hier meer dan 8 procent hoger dan in de buurlanden. Dat was het hoogste cijfer sinds 1996, toen de eerste wet op concurrentievermogen werd ingevoerd, die onze loonkosten in lijn moest doen lopen met die in de buurlanden (zie grafiek Loonkostenhandicap stijgt opnieuw).Nochtans is de Belgische loonkostenhandicap tegenover de buurlanden in de periode 2014-2021 systematisch afgebouwd, dankzij een indexsprong en een snellere toename van de loonkosten in Duitsland. Tot eind vorig jaar was de verwachting dat de Belgische loonkosten ook de komende jaren min of meer gelijke tred zouden houden met die van de buren. Onder meer het vooruitzicht van een snelle toename van de Duitse minimumlonen lag aan de basis van die veronderstelling. Maar door de galopperende inflatie wegens de oorlog in Oekraïne zijn die verwachtingen achterhaald. "In december voorspelde de OESO amper een verhoging van de Belgische loonhandicap", weet Janssens. "De berekeningen tonen nu een ander verhaal." In de periode 1997-2007 haalden we nog een productiviteitsgroei van 1,4 procent per jaar. Nadien zakte die weg naar 0,18 procent per jaar. Janssens: "Ook bij onze buren kalfde de groei van de productiviteit af. Het neemt niet weg dat België, samen met Griekenland, in de OESO het grootste potentieel heeft om zijn productiviteitsgroei op te krikken. De concurrentiekracht kan natuurlijk altijd behouden worden door loonmatiging, desnoods een indexsprong als de hoge inflatie aanhoudt, en eventueel loonkostverlagingen. Al is dat laatste niet eenvoudig door de budgettaire situatie." De productiviteitsgroei optrekken, is evenmin eenvoudig. In West-Europa vertraagt die al een tijd (zie grafiek Productiviteitsgroei vertraagt in heel Europa). Er zijn nu eenmaal grenzen aan de automatisering, en veel landen zijn geëvolueerd van een industriële naar een diensteneconomie. Bovendien groeit het aandeel van non-profitactiviteiten. Zaken als de ouderenzorg zijn natuurlijk nodig, maar dat soort diensten kent een lagere productiviteitsgroei. Het feit dat ook meer laaggeschoolden dan vroeger een baan hebben (zoals in de dienstenchequesector) weegt op de evolutie van de productiviteit. Geert Janssens heeft daar wel wat bedenkingen bij: "Wanneer we meer doelgroepen activeren of mensen met afstand tot de arbeidsmarkt inschakelen, zal dat onze productiviteit doen afnemen. Tenminste, de productiviteit zoals we die statistisch meten. Maar is dat een probleem, als we daarmee onze groei aanzwengelen en onze openbare financiën op een duurzamer pad brengen? Het is maar statistiek. Waar het echt om gaat, is dat we productiviteitswinsten bij de bedrijven aanmoedigen via innovatie, marktverruiming, organisatorische vernieuwing waardoor er meer inspraak is en je sneller kunt schakelen."