Het aantal Vlaamse werklozen daalt al voor het derde jaar op rij. De niet-werkende werkzoekenden zijn nu met iets minder dan 205.000. Wellicht zal de Vlaamse werkloosheidsgraad dalen naar 4 procent, het laagste cijfer sinds 2001. Toen de VDAB met die cijfers kwam, klopten verschillende leden van de Vlaamse regering zichzelf op de borst, minister-president Geert Bourgeois (N-VA) voorop.

Voor een deel is dat terecht, want de Vlaamse arbeidsmarkt draait op volle toeren. Maar tegelijk zouden de cijfers veel beter moeten zijn. Zeker als we kijken naar de werkgelegenheidsgraad, dat deel van de beroepsbevolking (20-64 jaar) dat effectief aan de slag is. Vlaanderen scoort met een werkgelegenheidsgraad van 72,7 procent wel een pak beter dan Wallonië (62,2 procent) en Brussel (60,1 procent), maar we presteren ondermaats in vergelijking met bijvoorbeeld Nederland en de Scandinavische landen. Daar schommelt de werkgelegenheidsgraad rond 80 procent.

De werkzaamheidsgraad in Vlaanderen is de voorbije tien jaar amper gestegen. Middelmatigheid troef dus, maar dat lijkt de beleidsmakers niet echt te verontrusten. Zij rekenen zich rijk door Vlaanderen te vergelijken met Wallonië en Brussel.

Vlaamse arbeidsmarkt kan nog beter

De Vlaamse regering legt de lat veel te laag. Eigenlijk zou ze duidelijk moeten communiceren dat 80 procent werkgelegenheidsgraad het doel is. Alleen is dat moeilijk te bereiken met dit beleid. De inspanningen, zoals extra aandacht voor het doelgroepenbeleid rond 55-plussers, zijn lovenswaardig. Hetzelfde geldt voor het aantrekkelijker maken van de individuele beroepsopleiding. Maar het is niet genoeg.

De volgende Vlaamse minister van Werk moet vanaf 2019 nog een paar tandjes bijsteken. De Vlaamse regering verbergt zich meer dan eens achter het gebrekkige federale arbeidsmarktbeleid, maar op regionaal niveau kan een aantal zaken beter worden aangepakt. Een efficiëntere activering door de VDAB zou bijvoorbeeld wenselijk zijn.