De wereld ontwaakt langzaam uit haar sombere coronawinterslaap. Nu pas beseffen we wat voor een gewoon, ordinair leven we doorgaans leiden en hoe blij dat we daar eigenlijk mee moeten zijn.

In december 1923 zat de tienjarige Peter von Zahn aan de nieuwjaarstafel met zijn familie in Dresden. Hij zou na de Tweede Wereldoorlog een beroemde politieke journalist van de jonge Bondsrepubliek Duitsland worden en bekend worden als de stem van het eerste uur op radio en televisie. De winters in die vroege jaren twintig waren kil en ongezellig, en de sfeer rondom de tafel was navenant. Het brood was van slechte kwaliteit en er was weinig te eten. Buiten raasde een galopperende inflatie, die galactische proporties had bereikt (1 dollar was gelijk aan 4,2 biljoen rijksmark). Zijn vader voorspelde nog meer onheil. Zijn moeder, het product van een protestantse opvoeding, vond dat maar normaal. Zonder van bovenaf gestuurde beproevingen kan de mens niet worden gelouterd om zijn hogere lotsbestemming te verwezenlijken.

Verdwaald tussen geld, goud en god.

Zijn eerste lessen in macro-economie kreeg de jonge Von Zahn ook dat jaar, van de zoon van een effectenmakelaar die in zijn klas zat. Die raadde hem aan het schoolgeld, dat hij op maandag van zijn ouders meekreeg, te beleggen in snoep, een reëel actief. De helft van het snoep werd opgegeten en de andere helft enkele dagen later verkocht voor het dubbele van de oorspronkelijke prijs, waarmee hij de school betaalde.

Telkens als de mens wordt geconfronteerd met de grenzen van zijn weerbaarheid, zoals in geval van ziekten of natuurrampen, of met de gebreken van zijn zelfgeschapen structuren, zoals geld, markten of beurzen, bekruipt hem een gevoel van onbehagen en angst. Net zoals in de wilde twintiger jaren van de vorige eeuw navigeren sommigen tussen de angst om te verstikken aan het coronavirus (toen de Spaanse griep) en de vrees een financieel armageddon tegemoet te gaan.

De centrale banken zijn aan een grootscheepse monetarisering van de overheidsschuld begonnen en financieren het budgettaire deficit van de Verenigde Staten, de eurozone, het Verenigd Koninkrijk en Japan ten belope van een fenomenaal bedrag van 9 biljoen dollar. De M3-geldhoeveelheid is de jongste drie maanden alleen al in de Verenigde Staten en de eurozone gestegen met 60 en 20 procent op geannualiseerde basis. Inflatie is altijd en overal een zuiver monetair fenomeen, leerde Milton Friedman ons. Het ontstaat wanneer de centrale banken te veel geld bijdrukken. Volgens de monetaristen zal de lont aan het vuur worden gestoken zodra de omloopsnelheid van het geld weer normaliseert. In tegenstelling tot de financiële crisis van 2008 is er geen contractie van de kredietverlening die een bijkomende liquiditeitsinjectie vereist. Het nieuw bijgedrukte coronageld van de centrale banken is dus een zuivere netto monetaire expansie, ongedekt door een bijkomende productie van goederen en diensten.

De adepten van de Modern Monetary Theory (MMT) zullen er niet om malen, want zij geloven dat de centrale banken de geldpers onbeperkt kunnen aanzwengelen. De waarschuwingen van de monetaristen in de wind slaan, doe je echter op eigen risico.

En zo belanden we uiteindelijk bij goud en god. Het geld moet ergens naartoe en een onbedachtzame monetaire expansie leidt altijd tot een vermogensinflatie die zich uit in stijgende prijzen voor aandelen, obligaties, vastgoed en goud. Volgens de monetaristen volgt dan een aantal jaren later een sterke inflatie van de consumptieprijzen. Die goudprijs is trouwens een goede graadmeter voor de groeiende onzekerheid van de bevolking. Vandaag is de vraag zo groot dat het bijna onmogelijk is nog de fysieke levering van goud te verkrijgen.

Als je niet meer op de stabiliteit van het geld kunt vertrouwen en het goud raakt langzamerhand op, dan rest enkel nog het advies te volgen dat de Amerikaanse dollarbiljetten geven: " In God we trust!"

De wereld ontwaakt langzaam uit haar sombere coronawinterslaap. Nu pas beseffen we wat voor een gewoon, ordinair leven we doorgaans leiden en hoe blij dat we daar eigenlijk mee moeten zijn. In december 1923 zat de tienjarige Peter von Zahn aan de nieuwjaarstafel met zijn familie in Dresden. Hij zou na de Tweede Wereldoorlog een beroemde politieke journalist van de jonge Bondsrepubliek Duitsland worden en bekend worden als de stem van het eerste uur op radio en televisie. De winters in die vroege jaren twintig waren kil en ongezellig, en de sfeer rondom de tafel was navenant. Het brood was van slechte kwaliteit en er was weinig te eten. Buiten raasde een galopperende inflatie, die galactische proporties had bereikt (1 dollar was gelijk aan 4,2 biljoen rijksmark). Zijn vader voorspelde nog meer onheil. Zijn moeder, het product van een protestantse opvoeding, vond dat maar normaal. Zonder van bovenaf gestuurde beproevingen kan de mens niet worden gelouterd om zijn hogere lotsbestemming te verwezenlijken. Zijn eerste lessen in macro-economie kreeg de jonge Von Zahn ook dat jaar, van de zoon van een effectenmakelaar die in zijn klas zat. Die raadde hem aan het schoolgeld, dat hij op maandag van zijn ouders meekreeg, te beleggen in snoep, een reëel actief. De helft van het snoep werd opgegeten en de andere helft enkele dagen later verkocht voor het dubbele van de oorspronkelijke prijs, waarmee hij de school betaalde. Telkens als de mens wordt geconfronteerd met de grenzen van zijn weerbaarheid, zoals in geval van ziekten of natuurrampen, of met de gebreken van zijn zelfgeschapen structuren, zoals geld, markten of beurzen, bekruipt hem een gevoel van onbehagen en angst. Net zoals in de wilde twintiger jaren van de vorige eeuw navigeren sommigen tussen de angst om te verstikken aan het coronavirus (toen de Spaanse griep) en de vrees een financieel armageddon tegemoet te gaan. De centrale banken zijn aan een grootscheepse monetarisering van de overheidsschuld begonnen en financieren het budgettaire deficit van de Verenigde Staten, de eurozone, het Verenigd Koninkrijk en Japan ten belope van een fenomenaal bedrag van 9 biljoen dollar. De M3-geldhoeveelheid is de jongste drie maanden alleen al in de Verenigde Staten en de eurozone gestegen met 60 en 20 procent op geannualiseerde basis. Inflatie is altijd en overal een zuiver monetair fenomeen, leerde Milton Friedman ons. Het ontstaat wanneer de centrale banken te veel geld bijdrukken. Volgens de monetaristen zal de lont aan het vuur worden gestoken zodra de omloopsnelheid van het geld weer normaliseert. In tegenstelling tot de financiële crisis van 2008 is er geen contractie van de kredietverlening die een bijkomende liquiditeitsinjectie vereist. Het nieuw bijgedrukte coronageld van de centrale banken is dus een zuivere netto monetaire expansie, ongedekt door een bijkomende productie van goederen en diensten. De adepten van de Modern Monetary Theory (MMT) zullen er niet om malen, want zij geloven dat de centrale banken de geldpers onbeperkt kunnen aanzwengelen. De waarschuwingen van de monetaristen in de wind slaan, doe je echter op eigen risico. En zo belanden we uiteindelijk bij goud en god. Het geld moet ergens naartoe en een onbedachtzame monetaire expansie leidt altijd tot een vermogensinflatie die zich uit in stijgende prijzen voor aandelen, obligaties, vastgoed en goud. Volgens de monetaristen volgt dan een aantal jaren later een sterke inflatie van de consumptieprijzen. Die goudprijs is trouwens een goede graadmeter voor de groeiende onzekerheid van de bevolking. Vandaag is de vraag zo groot dat het bijna onmogelijk is nog de fysieke levering van goud te verkrijgen. Als je niet meer op de stabiliteit van het geld kunt vertrouwen en het goud raakt langzamerhand op, dan rest enkel nog het advies te volgen dat de Amerikaanse dollarbiljetten geven: " In God we trust!"