Het werd amper een halfjaar geleden aangekondigd bij de eedaflegging van de regering-De Croo, maar het lijkt een eeuwigheid geleden: in 2030 moet de werkzaamheidsgraad in ons land 80 procent bedragen. Momenteel is die zo'n 70 procent. Van de honderd mensen op beroepsleeftijd zijn er dus zeventig aan de slag.

Arbeidseconomen waarschuwden dat die ambitie heel hooggegrepen is. Om dat doel te bereiken moet de werkzaamheidsgraad in elk gewest groeien met bijna 10 procentpunt. Vlaanderen moet richting 85 procent gaan, wat beter is dan Europees kampioen Zweden (82%). Economen voorspellen dat Vlaanderen heel blij mag zijn als het over vijf jaar aan 78 procent komt. Wallonië zou van een werkzaamheidsgraad van 64 naar 74 procent moeten gaan. Dat is weinig realistisch. Zelfs de plannen van de Waalse regering om tegen 2024 een werkzaamheidsgraad van 69 procent te bereiken, zijn te optimistisch. De voorbije acht jaar steeg de Waalse werkzaamheidsgraad met 3 procentpunt. Hoe dan in vijf jaar tijd een toename met 5 procentpunt halen? Uit Namen kwam nog geen antwoord. Toch heeft de federale regering haar ambitie nog niet bijgesteld. Het realisme lijkt zoek. In interviews hebben ministers het over belangrijke hervormingen. Alleen is het regeerakkoord daar vaag over.

Uit Duitsland komen donkere wolken.

Meer nog: de signalen uit de Wetstraat zijn weinig opbeurend. Vicepremier en minister van Werk Pierre-Yves Dermagne (PS) hoopt de sociale partners er de komende weken van te overtuigen een interprofessioneel loonakkoord af te sluiten. Momenteel ligt nog altijd een reële loonstijging van 0,4 procent op tafel, boven op de indexering van 2,8 procent. Het absolute maximum voor de werkgevers, veel te weinig voor de vakbonden. Deze keer kan de federale regering het sociaal akkoord niet lijmen met honderden miljoenen euro's. Dermagne hoopt dat de werkgevers bereid zijn bonussen toe te kennen in sectoren die minder zwaar lijden onder de coronacrisis. De vakbonden kunnen misschien worden gepaaid met aanpassingen aan het stelsel van de werkloosheid met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen) en de landingsbanen aan het einde van de loopbaan.

Stijn Baert, arbeidseconoom aan de UGent, zegde de sociale partners en de regering al de wacht aan: "Ik hoop dat zij dit niet echt overwegen. Nu mensen uit de arbeidsmarkt duwen en straks vaststellen dat vacatures niet ingevuld raken en de werkzaamheid niet verhoogt, het zou nergens op slaan." Hij heeft gelijk. In dat geval mogen mag de regering een werkzaamheidsgraad van 80 procent vergeten. Zelfs een toename richting 75 procent - zoals Vlaanderen al heeft - is dan niet realistisch.

Het wordt helemaal problematisch als de concurrentiekracht van de Belgische ondernemingen weer onder druk komt. Vorige week kwamen er verontrustende signalen uit Duitsland. In de metaalsector werd een loonakkoord voor de komende twee jaar bereikt. Er komt een eenmalige coronapremie en een loonstijging van 2,3 procent, indexering inbegrepen. Het akkoord voor de 700.000 metaalarbeiders in Noordrijn-Westfalen geldt meestal als de referentie voor de rest van de Duitse economie. Dat is geen goed nieuws voor de Belgische bedrijven: de loonkosten zullen de komende twee jaar bij onze oosterburen minder snel stijgen dan de verwachte 3,2 procent in België. Minder economische groei en banenverlies zullen het gevolg zijn.

Een bijkomend risico is dat de inflatie in België de komende twee jaar hoger zal oplopen dan verwacht. Bij ons worden prijsstijgingen onmiddellijk doorgerekend in de lonen via de automatische indexering. Die zouden de komende twee jaar wel eens hoger kunnen zijn dan de voorspelde 2,8 procent. Met het loonakkoord heeft Duitsland - dat geen automatische indexering kent - zich gewapend tegen zulke schokken. België niet.

Het werd amper een halfjaar geleden aangekondigd bij de eedaflegging van de regering-De Croo, maar het lijkt een eeuwigheid geleden: in 2030 moet de werkzaamheidsgraad in ons land 80 procent bedragen. Momenteel is die zo'n 70 procent. Van de honderd mensen op beroepsleeftijd zijn er dus zeventig aan de slag. Arbeidseconomen waarschuwden dat die ambitie heel hooggegrepen is. Om dat doel te bereiken moet de werkzaamheidsgraad in elk gewest groeien met bijna 10 procentpunt. Vlaanderen moet richting 85 procent gaan, wat beter is dan Europees kampioen Zweden (82%). Economen voorspellen dat Vlaanderen heel blij mag zijn als het over vijf jaar aan 78 procent komt. Wallonië zou van een werkzaamheidsgraad van 64 naar 74 procent moeten gaan. Dat is weinig realistisch. Zelfs de plannen van de Waalse regering om tegen 2024 een werkzaamheidsgraad van 69 procent te bereiken, zijn te optimistisch. De voorbije acht jaar steeg de Waalse werkzaamheidsgraad met 3 procentpunt. Hoe dan in vijf jaar tijd een toename met 5 procentpunt halen? Uit Namen kwam nog geen antwoord. Toch heeft de federale regering haar ambitie nog niet bijgesteld. Het realisme lijkt zoek. In interviews hebben ministers het over belangrijke hervormingen. Alleen is het regeerakkoord daar vaag over. Meer nog: de signalen uit de Wetstraat zijn weinig opbeurend. Vicepremier en minister van Werk Pierre-Yves Dermagne (PS) hoopt de sociale partners er de komende weken van te overtuigen een interprofessioneel loonakkoord af te sluiten. Momenteel ligt nog altijd een reële loonstijging van 0,4 procent op tafel, boven op de indexering van 2,8 procent. Het absolute maximum voor de werkgevers, veel te weinig voor de vakbonden. Deze keer kan de federale regering het sociaal akkoord niet lijmen met honderden miljoenen euro's. Dermagne hoopt dat de werkgevers bereid zijn bonussen toe te kennen in sectoren die minder zwaar lijden onder de coronacrisis. De vakbonden kunnen misschien worden gepaaid met aanpassingen aan het stelsel van de werkloosheid met bedrijfstoeslag (het vroegere brugpensioen) en de landingsbanen aan het einde van de loopbaan. Stijn Baert, arbeidseconoom aan de UGent, zegde de sociale partners en de regering al de wacht aan: "Ik hoop dat zij dit niet echt overwegen. Nu mensen uit de arbeidsmarkt duwen en straks vaststellen dat vacatures niet ingevuld raken en de werkzaamheid niet verhoogt, het zou nergens op slaan." Hij heeft gelijk. In dat geval mogen mag de regering een werkzaamheidsgraad van 80 procent vergeten. Zelfs een toename richting 75 procent - zoals Vlaanderen al heeft - is dan niet realistisch. Het wordt helemaal problematisch als de concurrentiekracht van de Belgische ondernemingen weer onder druk komt. Vorige week kwamen er verontrustende signalen uit Duitsland. In de metaalsector werd een loonakkoord voor de komende twee jaar bereikt. Er komt een eenmalige coronapremie en een loonstijging van 2,3 procent, indexering inbegrepen. Het akkoord voor de 700.000 metaalarbeiders in Noordrijn-Westfalen geldt meestal als de referentie voor de rest van de Duitse economie. Dat is geen goed nieuws voor de Belgische bedrijven: de loonkosten zullen de komende twee jaar bij onze oosterburen minder snel stijgen dan de verwachte 3,2 procent in België. Minder economische groei en banenverlies zullen het gevolg zijn. Een bijkomend risico is dat de inflatie in België de komende twee jaar hoger zal oplopen dan verwacht. Bij ons worden prijsstijgingen onmiddellijk doorgerekend in de lonen via de automatische indexering. Die zouden de komende twee jaar wel eens hoger kunnen zijn dan de voorspelde 2,8 procent. Met het loonakkoord heeft Duitsland - dat geen automatische indexering kent - zich gewapend tegen zulke schokken. België niet.