"Houston, we have a problem", zo zei José Angel Gurria bij de voorstelling van een OESO-rapport over de Belgische productiviteit. In de periode 2007 tot 2017 is de groei van de productiviteit gezakt tot een armtierige 0,3 procent per jaar. Daarmee bengelt België achteraan een rangschikking van 37 OESO-landen. Slechts 7 OESO-landen doen slechter.

Dat is slecht nieuws voor onze welvaart. "Als België de trend van lage productiviteitsgroei niet kan keren, zal het zijn positie verliezen van land met hoge lonen," zei de secretaris-generaal van de OESO. "Hoge lonen zijn geen probleem voor een economie, zolang die maar productief blijft."

Niet dat onze welvaart meteen bedreigd is. In absolute termen behoort onze productiviteit nog altijd tot de hoogste ter wereld. In 2017 produceerde een Belgische arbeider per uur 35 procent meer dan het OESO-gemiddelde. Hier moeten we enkel Ierland, Luxemburg en Noorwegen laten voorgaan.

Mechanisme

Maar dat hoge absolute niveau mag ons niet in slaap wiegen. In de periode 1980 tot 1998 behoorde de groei van de Belgische productiviteit nog tot de hoogste van de OESO, maar vertraagde sindsdien. Zonder die vertraging zou onze absolute productiviteit een vijfde tot een kwart hoger zijn geweest vandaag, aldus het OESO-rapport. Bij de andere rijke OESO-landen is dat productiviteitstekort de helft kleiner.

België heeft dus een pak welvaart gemist, meer dan andere OESO-landen. 'Dat productiviteitstekort heeft zich vertaald in lagere lonen,' schrijft het rapport. 'Want lonen bewegen samen met de productiviteit. Ze zijn het meest directe mechanisme waarmee de voordelen van productiviteitsgroei overgeheveld worden naar de werknemers."

Sterven

Het rapport somt een aantal verklaringen op voor onze zwakke productiviteitsgroei. "Het echte probleem is gebrek aan dynamisme, vooral in de dienstensector, die algauw driekwart van de economie uitmaakt" zei Gurria. Tussen 2000 en 2014 is de productiviteitgroei van het gemiddelde dienstenbedrijf in België gestagneerd, of zelfs een beetje gekrompen, aldus het rapport. De productiviteitsgroei van het gemiddelde industriële bedrijf daarentegen steeg in diezelfde periode met 30 procent.

Ook de in- en uitstroom in de Belgische bedrijfswereld is veel lager dan elders in de OESO. "Weinig bedrijven sterven," zei Gurria. "Dat belemmert de toetreding van nieuwe bedrijven met innovatieve ideeën, wat op zijn beurt de productiviteitsgroei verzwakt."

Kloof

Het rapport geeft een reeks aanbevelingen voor de overheid. Een eerste is het stimuleren van de concurrentie tussen dienstenbedrijven, via de afbouw van de overdadige regulering. Gurria pleitte ook meer doelmatigheid in de overheidssteun voor onderzoek. Voorts moeten de overheidsinvesteringen hoger, vooral in transportinfrastructuur. Volgens het rapport bedragen de Belgische overheidsinvesteringen 2 procent van het bbp. Dat is het zesde laagste niveau van 30 OESO-landen met beschikbare data.

Ten slotte zette Gurria een boom op voor het opleiden van werknemers. "Elk bedrijf zou een school moeten zijn, en elk groot bedrijf een universiteit, zei Gurria. "Slechts 20 procent van de laaggeschoolden krijgt een opleiding, tegen 65 procent van de hooggeschoolden, en de kloof wordt groter."