De nationale staking van 13 februari is slecht theater. De vakbonden willen de druk opvoeren bij de werkgevers om toch akkoord te gaan met een hogere reële loonstijging dan de 0,8 procent voor 2019-2020 die wordt voorgesteld door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Achter de schermen is te horen dat de werkgeversorganisaties er geen probleem mee hebben straks toch weer om de tafel te gaan zitten. Om dan wellicht een nieuwe loonnorm af te spreken die de grens van 1 procent overschrijdt.

Op zich laat de strengere wet op de loonnorm dat niet toe, maar het ingewikkelde mechanisme van de veiligheidsmarges deels omzeilen zou een oplossing kunnen zijn. In de wet is een marge ingebouwd van 0,5 procent reële loonstijging voor het geval de voorspellingen van de loonkostenevolutie in de buurlanden worden overschat. De sociale partners zouden een deel van die marge toch kunnen gebruiken. In dat geval is een loonnorm van bijvoorbeeld 1,1 procent mogelijk.

Nationale staking is schijnvertoning.

Iedereen tevreden dus. De vakbonden omdat ze extra loon hebben binnengerijfd, de werkgevers omdat de concurrentiehandicap met de buurlanden niet substantieel verzwakt. Maar dan rijst de vraag waarom de schijnvertoning van de nationale staking wel zin heeft, als de sociale partners nu al toegeven dat ze opnieuw willen samenzitten.

Zo'n syndicale actie - of het nu een staking of een betoging is - is in België blijkbaar de enige manier voor de basis van de vakbonden om wat stoom af te laten. Daar dragen de voorzitters van de vakbonden een zware verantwoordelijkheid. Door een overdreven taalgebruik zoals "sociale horror" en "sociaal bloedbad" hebben de Marc Leemansen van deze wereld het vuur opgepookt en kunnen ze niet meer terug.

Het resultaat is een staking die een pak geld kost aan de economie en slecht is voor het imago van België als investeringsland.