Aangezien de Wetstraat na Nieuwjaar allicht voor maanden in lopende zaken gaat, wordt het voor het uitzetten van de sociaaleconomische bakens kijken naar de sociale partners. Zij moeten na Nieuwjaar een interprofessioneel akkoord 2019-2020 afsluiten. Met op de achtergrond geen regering met volheid van bevoegdheden wordt dat geen gemakkelijke opdracht. In het verleden is al meermaals gebeurd dat een regering zo'n sociaal akkoord 'gesmeerd' heeft door met een zak geld over de brug te komen. Al was er de voorbije jaren steeds minder financiële ruimte om de Groep van Tien,...

Aangezien de Wetstraat na Nieuwjaar allicht voor maanden in lopende zaken gaat, wordt het voor het uitzetten van de sociaaleconomische bakens kijken naar de sociale partners. Zij moeten na Nieuwjaar een interprofessioneel akkoord 2019-2020 afsluiten. Met op de achtergrond geen regering met volheid van bevoegdheden wordt dat geen gemakkelijke opdracht. In het verleden is al meermaals gebeurd dat een regering zo'n sociaal akkoord 'gesmeerd' heeft door met een zak geld over de brug te komen. Al was er de voorbije jaren steeds minder financiële ruimte om de Groep van Tien, zoals de interprofessionele onderhandelaars worden genoemd, een duwtje in de rug te geven.Het interprofessioneel akkoord dat voor de komende twee jaar zal worden afgesloten is in elk geval cruciaal voor het behoud van het concurrentievermogen van de Belgische ondernemingen. De regering-Michel I is er dankzij een indexsprong en de lastenverlagingen via de taxshift in geslaagd de loonkostenhandicap die de Belgische bedrijven sinds 1996 ten opzichte van de buurlanden heeft opgebouwd, weg te werken. Al blijft er nog een historische loonkostenhandicap over van zo'n 8 tot 9 procent.Ook de gematigde loonakkoorden van de voorbije jaren hebben gezorgd voor een zekere loonkostenbeheersing. Onder de regering-Di Rupo (2011-2014) kwam er een reële loonstop. Volgens het decemberrapport van de Nationale Bank werden er in 2017 0,2 procent reële loonstijgingen toegekend. In 2018 waren dat er 0,4 procent. Waarmee de bedrijven onder de door de sociale partners overeengekomen loonnorm van 1,1 procent blijven.Vanaf 2019 zou het tij weleens kunnen keren. De maatregelen vervat in de taxshift zijn stilaan volledig ingevoerd. Maar vooral: "Bij een aanzienlijk hogere indexering in 2019, voornamelijk onder invloed van de stijging van de energieprijzen, en een lichte toename van de loondrift over de volledige projectieperiode (vooral door de toenemende krapte op de arbeidsmarkt), zouden de bruto-uurlonen in 2019 versnellen tot 2,9 procent en vervolgens beperkt afnemen, in lijn met het verwachte verloop van de indexering."Daar waar de loonkosten per gewerkt uur in 2016 nog daalden met 0,2 procent, stijgen ze in 2018 1,7 procent, in 2019 met 2,9 procent en de twee daaropvolgende jaren met respectievelijk 2,5 en 2,9 procent. Het toont aan dat loonkostenbeheersing vanaf 2019 een grote sociaaleconomische uitdaging wordt.Een gematigd interprofessioneel akkoord kan er al voor zorgen dat de loonkostenstijging minder groot is dan tot nu toe wordt voorspeld. VBO-topman Pieter Timmermans liet weten dat er wellicht ruimte zal zijn voor reële loonstijgingen, maar dat die de versterking van de concurrentiepositie van de voorbije jaren niet teniet mag doen. Al speelt de evolutie in de buurlanden ook een rol. Door de krappe arbeidsmarkt is er zeker in Duitsland al een tijd sprake van opwaartse loondruk.