Belgische ondernemingen kunnen momenteel genieten van een breed scala aan fiscale gunstmaatregelen voor hun innovatieprojecten. Met deze incentives wil België private investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) stimuleren om tot de Europese kopgroep van O&O-intensieve landen te behoren. Maar betekent de wereldwijde minimumbelasting van 15 procent, die de OESO en G7 willen installeren, het einde van onze gunstige innovatiefiscaliteit?

De wereldwijde minimumbelasting beoogt de situatie waarin multinationale ondernemingen in elk geval een effectieve belastingdruk van minstens 15 procent ondergaan. Er wordt land per land gekeken of de minimumdrempel van 15 procent wordt gehaald. Indien de werkelijke belastingdruk in een bepaald land onder die drempel duikt, wordt een bijkomende belasting geheven in het land waar de moedervennootschap van de groep is gevestigd.

Dankzij de aftrek voor innovatie-inkomsten kunnen Belgische ondernemingen hun effectieve belastingvoet significant verminderen (tot slechts 3,75 procent op netto-inkomsten uit octrooien of software). Ook de investeringsaftrek voor investeringen in O&O verlicht de fiscale druk op de innovatieve ondernemingen in België. Om die redenen hebben heel wat buitenlandse bedrijven hun O&O in België georganiseerd. Maar ook al blijven de aftrek voor innovatie-inkomsten en de investeringsaftrek in voege, de wereldwijde minimumbelasting gaat het feitelijke voordeel van deze gunstmaatregelen deels wegnemen. Want zodra de effectieve belastingvoet in België hierdoor onder de drempel van 15 procent zakt, wordt het saldo elders toch bijbelast.

Komt het fiscale gunstregime voor onderzoekers in gevaar?

Bijgevolg heeft België er alle belang bij om te ijveren voor een uitzondering voor innovatiefiscaliteit, waarbij inkomsten die onder een dergelijk gunstregime vallen toch niet worden meegeteld om de 15%-drempel te toetsen. Die zogenaamde carve-out is zeker verdedigbaar, omdat de aftrek voor innovatie-inkomsten volledig beantwoordt aan alle minimumnormen van de OESO. Bovendien is het naïef te denken dat fiscale concurrentie tussen landen volledig verleden tijd zou zijn zonder carve-outs. Fiscale gunstmaatregelen buiten de vennootschapsbelasting kunnen dan aan een opmars beginnen; bijvoorbeeld via de verdere uitbouw van de al bestaande en de overigens zeer doeltreffende vrijstelling voor bedrijfsvoorheffing voor bepaalde O&O-medewerkers. Ook een uitbreiding van het federale en regionale subsidiebeleid kan dan een aantrekkingspool voor landen worden, hetgeen perfect te organiseren is binnen de Europese regels voor staatssteun.

Tot op heden vereist de invoering van fiscaal beleid binnen de EU nog de unanieme goedkeuring van alle lidstaten. Al enige tijd gaan er stemmen op om de unanimiteit in te ruilen voor een gekwalificeerde meerderheid, zodat een nieuw voorstel niet telkens hoeft te stranden bij de ontevredenheid van één lidstaat. Als België hierin zou meegaan, zal de Europese fiscaliteit binnen de kortste keren worden uitgetekend door grote jongens zoals Frankrijk en Duitsland. De strijd voor een carve-out inzake innovatiefiscaliteit lijkt dan helemaal een moeilijk verhaal te worden.

Op dit moment wordt de wereldwijde minimumbelasting enkel voorzien voor de grotere multinationale ondernemingen met een geconsolideerde omzet vanaf 750 miljoen euro. Maar dit criterium kan snel worden verlaagd eens het systeem effectief in voege is. We weten dus waar we aan beginnen, maar lang niet waar we gaan eindigen.

Belgische ondernemingen kunnen momenteel genieten van een breed scala aan fiscale gunstmaatregelen voor hun innovatieprojecten. Met deze incentives wil België private investeringen in onderzoek en ontwikkeling (O&O) stimuleren om tot de Europese kopgroep van O&O-intensieve landen te behoren. Maar betekent de wereldwijde minimumbelasting van 15 procent, die de OESO en G7 willen installeren, het einde van onze gunstige innovatiefiscaliteit?De wereldwijde minimumbelasting beoogt de situatie waarin multinationale ondernemingen in elk geval een effectieve belastingdruk van minstens 15 procent ondergaan. Er wordt land per land gekeken of de minimumdrempel van 15 procent wordt gehaald. Indien de werkelijke belastingdruk in een bepaald land onder die drempel duikt, wordt een bijkomende belasting geheven in het land waar de moedervennootschap van de groep is gevestigd. Dankzij de aftrek voor innovatie-inkomsten kunnen Belgische ondernemingen hun effectieve belastingvoet significant verminderen (tot slechts 3,75 procent op netto-inkomsten uit octrooien of software). Ook de investeringsaftrek voor investeringen in O&O verlicht de fiscale druk op de innovatieve ondernemingen in België. Om die redenen hebben heel wat buitenlandse bedrijven hun O&O in België georganiseerd. Maar ook al blijven de aftrek voor innovatie-inkomsten en de investeringsaftrek in voege, de wereldwijde minimumbelasting gaat het feitelijke voordeel van deze gunstmaatregelen deels wegnemen. Want zodra de effectieve belastingvoet in België hierdoor onder de drempel van 15 procent zakt, wordt het saldo elders toch bijbelast.Bijgevolg heeft België er alle belang bij om te ijveren voor een uitzondering voor innovatiefiscaliteit, waarbij inkomsten die onder een dergelijk gunstregime vallen toch niet worden meegeteld om de 15%-drempel te toetsen. Die zogenaamde carve-out is zeker verdedigbaar, omdat de aftrek voor innovatie-inkomsten volledig beantwoordt aan alle minimumnormen van de OESO. Bovendien is het naïef te denken dat fiscale concurrentie tussen landen volledig verleden tijd zou zijn zonder carve-outs. Fiscale gunstmaatregelen buiten de vennootschapsbelasting kunnen dan aan een opmars beginnen; bijvoorbeeld via de verdere uitbouw van de al bestaande en de overigens zeer doeltreffende vrijstelling voor bedrijfsvoorheffing voor bepaalde O&O-medewerkers. Ook een uitbreiding van het federale en regionale subsidiebeleid kan dan een aantrekkingspool voor landen worden, hetgeen perfect te organiseren is binnen de Europese regels voor staatssteun. Tot op heden vereist de invoering van fiscaal beleid binnen de EU nog de unanieme goedkeuring van alle lidstaten. Al enige tijd gaan er stemmen op om de unanimiteit in te ruilen voor een gekwalificeerde meerderheid, zodat een nieuw voorstel niet telkens hoeft te stranden bij de ontevredenheid van één lidstaat. Als België hierin zou meegaan, zal de Europese fiscaliteit binnen de kortste keren worden uitgetekend door grote jongens zoals Frankrijk en Duitsland. De strijd voor een carve-out inzake innovatiefiscaliteit lijkt dan helemaal een moeilijk verhaal te worden. Op dit moment wordt de wereldwijde minimumbelasting enkel voorzien voor de grotere multinationale ondernemingen met een geconsolideerde omzet vanaf 750 miljoen euro. Maar dit criterium kan snel worden verlaagd eens het systeem effectief in voege is. We weten dus waar we aan beginnen, maar lang niet waar we gaan eindigen.