De val van het IJzeren Gordijn in 1989 was een geschenkje voor de problematische Belgische overheidsfinanciën. In tijden van budgettaire saneringen vond iedereen het oké dat voortaan fors werd bespaard op militaire uitgaven. De sovjetdreiging was toch weggevallen.

De tijd was gekomen om het zogenaamde vredesdividend te innen. Sommige politici spraken openlijk van de afschaffing van het Belgische leger, anderen zoals ex-minister van Defensie André Flahaut, droomden van een minimale krijgsmacht van 20.000 mensen, die zich nog enkel met humanitaire zaken bezighouden.

Vandaag horen we daar nog echo's van wanneer sp.a-kopstukken beweren dat de 15 miljard euro voor de aankoop van gevechtsvliegtuigen gemakkelijk gebruikt kunnen worden om scholen en ziekenhuizen te bouwen.

Afgezien van de leugenachtige communicatie over die 15 miljard euro (het gaat om een bedrag gespreid over 40 jaar, waarin ook loonkosten zitten), is het absurd te denken dat investeren in Defensie niet langer nodig zou zijn.

Het vredesdividend is op, de uitgaven voor defensie moeten opnieuw omhoog

De Belgische defensie-inspanning daalde van 3,4 procent van het bbp 30 jaar geleden tot minder dan 1 procent vandaag, een van de laagste van de NAVO-lidstaten. Daarmee is de ondergrens allang bereikt. De uitgaven moeten opnieuw omhoog.

Ook al omdat het vredesdividend op is. Men kan dat niet blijven innen in een instabieler wordende wereld met terrorisme, een grommende Russische beer en een regionale oorlog (Syrië) op de zuid-oostgrens van Europa.

Blijvende investeringen in de defensie zijn nodig en in budgettair nog altijd moeilijke tijden zal dat ten koste moeten gaan van andere overheidsuitgaven. Het optrekken van de militaire uitgaven richting 1,3 procent van het bbp - zoals de regering plant - is niet anders dan een terugkeer naar de normaliteit.

Tenslotte is defensie de voorbije decennia zowat het enige departement geweest waar er zowel in hoog- als laagconjunctuur bespaard is.