Anno 2018 bestormen de Fransen niet langer de Bastille, ze bezetten dieseldepots en kruispunten, gekleed in gele hesjes. Voor veel Fransen zijn de hoge brandstofprijzen de druppel die de emmer doet overlopen. Die emmer is gevuld met fatalisme over de stagnerende lonen, onzekerheid over de toekomst, boosheid over de toenemende ongelijkheid tussen winnaars en verliezers in een globale en digitale economie, én frustratie over de hoge belastingdruk op inkomens en consumptie.
...

Anno 2018 bestormen de Fransen niet langer de Bastille, ze bezetten dieseldepots en kruispunten, gekleed in gele hesjes. Voor veel Fransen zijn de hoge brandstofprijzen de druppel die de emmer doet overlopen. Die emmer is gevuld met fatalisme over de stagnerende lonen, onzekerheid over de toekomst, boosheid over de toenemende ongelijkheid tussen winnaars en verliezers in een globale en digitale economie, én frustratie over de hoge belastingdruk op inkomens en consumptie. De torenhoge taksen op een tankbeurt worden vergoelijkt met bezorgdheid over het milieu, maar dienen vooral om de kas van een spilzieke overheid te vullen. Een groeiend deel van de bevolking, in Frankrijk én in België, heeft genoeg van die hypocrisie, maar een snelle oplossing, laat staan een verzachting van de pijn, wordt een werk van lange adem. De wortels van de onvrede liggen diep, zo toont nieuw cijfermateriaal van de OESO aan. Sinds 1995, dat is dus al een generatie lang, ziet een groot deel van de westerse bevolking amper een toename van het inkomen. De stijging van het doorsneeloon bedraagt 0,7 procent op jaarbasis sinds 1995. Dat is over een periode van ruim twintig jaar samen te vatten tot een extra maandloon. Op die wankele fundamenten is de voorbije decennia ook een meetbaar gevoel van ongelijkheid gestapeld. Het gemiddelde inkomen is met 1 procent per jaar gestegen, beduidend meer dan het doorsnee- of mediaaninkomen van Jan Modaal. Die cijfers zijn de optelsom van een relatief kleine, vaardige groep die wegspurt en een grotere groep die verzinkt in stagnatie. België ontsnapt niet aan die stagnatie. Het gemiddelde inkomen steeg hier sinds 1995 met 22 procent, het mediaaninkomen bleef steken op een groei van 15 procent. De achterblijvers moeten ook hier vaststellen dat een groep wél ontsnapt aan de wetten van de financiële zwaartekracht. Het Belgische bbp is sinds 1995 dubbel zo snel gestegen als het reële inkomen van de doorsneewerknemer. Een groter stuk van de taart gaat naar de werknemers en de aandeelhouders van de supersterbedrijven, die de voordelen van een mondiale productieketting en doorgedreven gebruik van technologie weten om te zetten in dominante posities en hoge marges. Werkgevers verdedigen zich met het argument dat hun grotere aandeel in de koek nodig is om broodnodige investeringen in digitalisering te betalen. Die onderhuidse dynamiek van de inkomens is een vuistregel die vatbaar is voor nationale verschillen en andere beleidskeuzes. Uitgerekend in Frankrijk hielden de lonen sinds 1995 wel gelijke tred met de zwakke toename van de productiviteit, zonder toename van de loonongelijkheid. Het protest is dus voor een stuk een typisch Frans fenomeen tegen het krakkemikkige beleid van president Emmanuel Macron, die zichzelf het imago van een president voor de rijken heeft aangemeten. Maar het protest is hardnekkig omdat het wortel schoot in de bredere maatschappelijke onvrede. Het is een revolutie van een achtergesteld Frankrijk voor wie hogere brandstofprijzen de druppel te veel zijn.Voor de beleidsmakers wacht de aartsmoeilijke taak zo veel mogelijk burgers te laten delen in de vruchten van technologie en globalisering. Het probleem kapot belasten lukt in landen als Frankrijk en België niet meer, want de hoge belastingdruk op zowat alle bronnen van inkomen en manieren van consumptie is een deel van het probleem geworden. Een groter verschil tussen bruto- en nettoloon zal zoden aan de dijk zetten. De Belgische taxshift, excuseer belastingverlaging, die vooral de lagere inkomens ten goede kwam, is een eerste stapje in de juiste richting. De rest van de marathon is alleen betaalbaar als een grondige pensioenhervorming de druk op de overheidsfinanciën verlicht. De gele hesjes zullen dan vervangen worden door de groene en rode hesjes van de vakbonden. Nog belangrijker dan een pensioenhervorming is investeren in vaardigheden, op alle leeftijden, zodat een grotere groep met iets meer wapens en vertrouwen stand kan houden in de snelle transformatie van de economie. Dat zal extra inspanningen vergen. De kans is klein dat de gele hesjes spontaan opleidingscentra zullen bestormen.