Begin juli is naar goede gewoonte het moment waarop de Studiecommissie voor de Vergrijzing met haar jaarverslag komt. De editie 2020 is geen opbeurende lectuur. Volgens de Studiecommissie stijgen de sociale uitgaven van 24,8 procent van het bbp in 2019 naar 29,8 procent in 2040, een toename met 5 procentpunt van het bbp. In euro's van vandaag is dat bijna 24 miljard euro.
...

Begin juli is naar goede gewoonte het moment waarop de Studiecommissie voor de Vergrijzing met haar jaarverslag komt. De editie 2020 is geen opbeurende lectuur. Volgens de Studiecommissie stijgen de sociale uitgaven van 24,8 procent van het bbp in 2019 naar 29,8 procent in 2040, een toename met 5 procentpunt van het bbp. In euro's van vandaag is dat bijna 24 miljard euro.Meer dan de helft van deze toename komt er tussen 2019 en 2025, een periode die sterk beïnvloed wordt door de coronacrisis. De voornaamste reden is dat in deze periode het bbp lager is dan het niveau dat het zou bereikt hebben zonder de crisis. "Hierdoor weegt het geheel van de sociale uitgaven zwaarder in procent van het bbp. Dat verlies van economische activiteit wordt daarna slechts gedeeltelijk gerecupereerd door de daling van de werkloosheidsgraad. Naast deze impact van de covid-19-crisis op het bbp, nemen de uitgaven voor pensioenen en de gezondheidszorg sterk toe in de periode 2019-2040, vooral als gevolg van de veroudering van de bevolking", staat in het rapport.Daarmee worden onze beleidsmakers nog eens met de neus op de feiten gedrukt: de beheersing van de vergrijzingskosten blijft de komende jaren dé budgettaire uitdaging. Een aantal hervormingen (strenger brugpensioen en vervroegd pensioen, minder royale ambtenarenpensioenen) en de geplande optrekking van de wettelijke pensioenleeftijd naar 66 jaar in 2025 en 67 jaar in 2030, waren noodzakelijke maar onvoldoende maatregelen. Het is wachten op echte daadkracht.De huidige of volgende federale regering kan in de leer gaan bij onze noorderburen. Nederland hervormt zijn pensioenstelsel grondig. Daarover hebben regering, werkgevers en vakbonden een historisch akkoord bereikt. Het Nederlandse pensioenplan oogt lekker. De wettelijke pensioenleeftijd stijgt naar 67 jaar in 2024. Daarna komen er per jaar extra levensverwachting nog eens acht maanden bij. Ook gaat Nederland uiterlijk in 2026 van een vast naar een variabel pensioen. Eenvoudig gesteld: in goede tijden stijgt het pensioen, in slechte daalt het. Dat is een gevolg van het specifieke karakter van het Nederlandse pensioensysteem. De overheid garandeert een relatief laag basispensioen: 1200 euro voor een alleenstaande en 820 euro voor een samenwonende. Daarnaast is het stelsel in belangrijke mate op kapitalisatie gebouwd. De werknemers betalen bijdragen die in fondsen terechtkomen. Zo sparen ze een kapitaal bijeen dat bij de pensionering wordt uitgekeerd. In die pensioenpot zit momenteel 1400 miljard euro.Goed tien jaar geleden begon de Nederlandse spaarpot te krimpen. De uitkeringen zouden dus moeten dalen. Maar dat zagen de vakbonden niet zitten. De uitkeringen werden gewoon niet meer geïndexeerd. Nu zijn de vakbonden toch gewonnen voor uitkeringen die schommelen op het ritme van de beurskoersen. Ze werden met een belangrijke toegift over de streep getrokken. Het toenemende legioen zelfstandige flexwerkers die niet of amper bijdragen tot de pensioenfondsen, wordt aangemoedigd om dat wel te doen.Dat maakt het Nederlandse pensioenstelsel eerlijker en evenwichtiger. Wat een verschil met het Belgische. Ons pensioenstelsel is gebouwd op repartitie. De huidige werknemers betalen de uitkeringen van de huidige groep gepensioneerden. Wie bijdragen betaalt, bouwt natuurlijk rechten op, maar alles boven een bepaald loonplafond wordt niet meegeteld in de berekening van het pensioen. Dat wordt enigszins gecompenseerd door fiscaal aantrekkelijke vormen van pensioensparen, via het bedrijf of individueel.Overstappen naar een Nederlands stelsel dat grotendeels op kapitalisatie gebouwd is, is niet onmogelijk, maar wordt een werk van jaren. Het zou al een goede zaak zijn als het pensioensparen niet extra wordt belast, want dat wordt nu gezien als een gemakkelijke manier om het coronadeficit deels dicht te rijden. Of we kunnen de Belgische pensioenen net zoals in Nederland koppelen aan de levensverwachting, en de pensioenleeftijd sneller optrekken naar 67 jaar.