Het woord 'staatsschuld' kwam voor het eerst in jaren niet voor in de troonrede die koning Willem-Alexander gisteren hield naar aanleiding van Prinsjesdag. Niet dat de Nederlandse overheidsfinanciën er rooskleuring uitzien. Dit jaar wordt bij de noorderburen een begrotingstekort van 7 procent voorspeld, volgend jaar zou het deficit nog altijd 4 procent bedragen. De staatsschuld bedroeg voor de coronacrisis 50 procent van het bruto binnenlands product (bbp) en stijgt nu naar 60 procent.

Maar in vergelijking met andere landen uit de Europese Unie, waaronder België, doet Nederland het beter of in elk geval veel minder slecht. Geen overheidsschuld die richting 120 procent van het bbp klimt, zoals bij ons. Wij mogen tussen De Panne en Aarlen al tevreden zijn met een begrotingstekort dat volgend jaar onder 6 procent zakt.

Het Nederlandse geld rolt, het Belgische is op.

Nederland bevindt zich in een comfortabelere positie om de klap van de coronacrisis op te vangen. In 2018 en 2019 kenden onze noorderburen een begrotingsoverschot van respectievelijk 1,4 en 1,7 procent. De Nederlanders laten nu het geld rollen om de economische schade te beperken en zijn van plan dat te blijven doen. Den Haag kiest op het juiste moment voor een expansief beleid.

Dat doet het land om te beginnen door de koopkracht te ondersteunen. Het zorgpersoneel krijgt dit jaar een eenmalige uitkering van 1000 euro en volgend jaar is er een bonus van 500 euro. Ook in België staat het behoud van de koopkracht bovenaan. Stelsels als tijdelijke werkloosheid en het crisisoverbruggingsrecht voor zelfstandigen hebben ervoor gezorgd dat het beschikbaar inkomen van de gezinnen grotendeels stabiel blijft. Maar de impact op de overheidsfinanciën is hier veel groter. Voor de crisis bedroeg het Belgische overheidsdeficit 1,8 procent van het bbp of 8,7 miljard euro. Dat beperkt de marge voor langdurige steunmaatregelen aanzienlijk.

Belangrijke rol voor de deelstaten

Nederland zit veilig door de besparingsdrift van de regeringen-Rutte in goede tijden. Zo kan er ruimte worden gemaakt voor een fonds van 20 miljard euro voor grote investeringsprojecten in infrastructuur, woningbouw, klimaat en het stimuleren van ondernemerschap.

In België blijft het wachten op zo'n relanceplan. Iedereen kijkt richting de federale regeringsonderhandelingen. Een relanceplan moet een integraal deel uitmaken van het regeerakkoord. Alleen is de vraag of de Vivaldi-partijen de neuzen in dezelfde richting zullen krijgen. Ook al omdat het investeringsbeleid vooral een taak is van lagere overheden. 50 procent van de overheidsinvesteringen situeren zich op het niveau van de deelstaten. Zal de Vlaamse regering willen bijdragen tot het welslagen van een federaal relanceplan? Dat wordt niet eenvoudig met de N-VA die als grootste partij wel in de Vlaamse regering zit, maar federaal in de oppositie.

Bovendien bestaat hier de traditie om overheidsinvesteringen ruim te definiëren. De gouden financieringsregel van de begroting stelt dat overheden tekorten mogen boeken voor groeivriendelijke investeringen en daarvoor mogen lenen. Dat geldt niet voor lopende uitgaven. Die moeten met lopende inkomsten zoals belastingen worden gefinancierd. Maar politici hebben hier vaak de slechte gewoonte om op lopende uitgaven het etiket 'investeringen' te plakken. Op dat gebied hebben de calvinistische Nederlanders veel meer begrotingsdiscipline. In België is er gewoon ook amper ruimte voor een expansief budgettair beleid gericht op groeibevorderende investeringen. Het geld is op.

Nederland heeft het bijkomende voordeel dat de fundamentals van de economie beter zijn. Dan gaat het niet alleen over de overheidsfinanciën, maar ook over een gunstiger ondernemingsklimaat en een beter werkende arbeidsmarkt (70% werkzaamheidsgraad in België voor de crisis versus 80% in Nederland). Het gevolg is dat de economische krimp met 5 procent dit jaar in Nederland minder zwaar valt dan de -7,4 procent in België. Dat maakt het boven de Moerdijk gemakkelijker om een relancebeleid te voeren.

Het woord 'staatsschuld' kwam voor het eerst in jaren niet voor in de troonrede die koning Willem-Alexander gisteren hield naar aanleiding van Prinsjesdag. Niet dat de Nederlandse overheidsfinanciën er rooskleuring uitzien. Dit jaar wordt bij de noorderburen een begrotingstekort van 7 procent voorspeld, volgend jaar zou het deficit nog altijd 4 procent bedragen. De staatsschuld bedroeg voor de coronacrisis 50 procent van het bruto binnenlands product (bbp) en stijgt nu naar 60 procent.Maar in vergelijking met andere landen uit de Europese Unie, waaronder België, doet Nederland het beter of in elk geval veel minder slecht. Geen overheidsschuld die richting 120 procent van het bbp klimt, zoals bij ons. Wij mogen tussen De Panne en Aarlen al tevreden zijn met een begrotingstekort dat volgend jaar onder 6 procent zakt.Nederland bevindt zich in een comfortabelere positie om de klap van de coronacrisis op te vangen. In 2018 en 2019 kenden onze noorderburen een begrotingsoverschot van respectievelijk 1,4 en 1,7 procent. De Nederlanders laten nu het geld rollen om de economische schade te beperken en zijn van plan dat te blijven doen. Den Haag kiest op het juiste moment voor een expansief beleid.Dat doet het land om te beginnen door de koopkracht te ondersteunen. Het zorgpersoneel krijgt dit jaar een eenmalige uitkering van 1000 euro en volgend jaar is er een bonus van 500 euro. Ook in België staat het behoud van de koopkracht bovenaan. Stelsels als tijdelijke werkloosheid en het crisisoverbruggingsrecht voor zelfstandigen hebben ervoor gezorgd dat het beschikbaar inkomen van de gezinnen grotendeels stabiel blijft. Maar de impact op de overheidsfinanciën is hier veel groter. Voor de crisis bedroeg het Belgische overheidsdeficit 1,8 procent van het bbp of 8,7 miljard euro. Dat beperkt de marge voor langdurige steunmaatregelen aanzienlijk.Nederland zit veilig door de besparingsdrift van de regeringen-Rutte in goede tijden. Zo kan er ruimte worden gemaakt voor een fonds van 20 miljard euro voor grote investeringsprojecten in infrastructuur, woningbouw, klimaat en het stimuleren van ondernemerschap.In België blijft het wachten op zo'n relanceplan. Iedereen kijkt richting de federale regeringsonderhandelingen. Een relanceplan moet een integraal deel uitmaken van het regeerakkoord. Alleen is de vraag of de Vivaldi-partijen de neuzen in dezelfde richting zullen krijgen. Ook al omdat het investeringsbeleid vooral een taak is van lagere overheden. 50 procent van de overheidsinvesteringen situeren zich op het niveau van de deelstaten. Zal de Vlaamse regering willen bijdragen tot het welslagen van een federaal relanceplan? Dat wordt niet eenvoudig met de N-VA die als grootste partij wel in de Vlaamse regering zit, maar federaal in de oppositie.Bovendien bestaat hier de traditie om overheidsinvesteringen ruim te definiëren. De gouden financieringsregel van de begroting stelt dat overheden tekorten mogen boeken voor groeivriendelijke investeringen en daarvoor mogen lenen. Dat geldt niet voor lopende uitgaven. Die moeten met lopende inkomsten zoals belastingen worden gefinancierd. Maar politici hebben hier vaak de slechte gewoonte om op lopende uitgaven het etiket 'investeringen' te plakken. Op dat gebied hebben de calvinistische Nederlanders veel meer begrotingsdiscipline. In België is er gewoon ook amper ruimte voor een expansief budgettair beleid gericht op groeibevorderende investeringen. Het geld is op.Nederland heeft het bijkomende voordeel dat de fundamentals van de economie beter zijn. Dan gaat het niet alleen over de overheidsfinanciën, maar ook over een gunstiger ondernemingsklimaat en een beter werkende arbeidsmarkt (70% werkzaamheidsgraad in België voor de crisis versus 80% in Nederland). Het gevolg is dat de economische krimp met 5 procent dit jaar in Nederland minder zwaar valt dan de -7,4 procent in België. Dat maakt het boven de Moerdijk gemakkelijker om een relancebeleid te voeren.