Het Vlaamse en Belgische energiebeleid van de jongste twintig jaar heeft het meest gemeen met improvisatietheater. De vernietiging van de regeling voor de terugdraaiende teller voor gezinnen met zonnepanelen is de zoveelste aflevering van dezelfde voorstelling. Het scenario is bijna altijd hetzelfde. Het begint met goede bedoelingen, die vertaald worden in ambitieuze doelstellingen. Het resultaat is dat België een van de landen is met de grootste kloof tussen de doelstellingen en het concrete beleid, concludeerde Hans Bruyninckx, directeur van het Europees Milieuagentschap al eerder.

In het script staat voorts een tekort aan daadkracht, zeker als een beslissing stemmen kan kosten. Zelfs nu Engie Electrabel de investeringen in de levensduurverlenging van de twee jongste kerncentrales heeft geschrapt, zal de regering pas eind dit jaar de knoop over de sluiting doorhakken. Voor spanningsbogen zorgt een dogma her en der: de kernuitstap, de belofte dat de elektriciteitsfactuur zeker niet omhoog mag gaan of het rendement van zonnepanelen zeker niet omlaag. Tegenstrijdige adviezen en waarschuwingen worden genegeerd.

De rode draad is een gebrek aan visie en een duidelijk plan van aanpak. Van de Pax Electrica's van Guy Verhofstadt tot het federale Energiepact van de regering-Michel: de tand des tijds hebben ze geen van alle doorstaan. Het gevolg is een voorstelling waar weinigen vrolijk van worden. Het draagvlak voor hernieuwbare energie krijgt klappen door discussies over de oversubsidiëring van eerst de zonnepanelen en later de offshore windenergie. Vlaanderen alleen al investeerde 30 miljard euro in hernieuwbare energie, met als resultaat ongeveer 20 procent groene elektriciteit. Twintig jaar na de liberalisering snakt de hele energiemarkt naar het overheidsinfuus. Bij de uitbaters van de kerncentrales moet een aangepast investeringskader het rendement vrijwaren. Investeerders in gasgestookte elektriciteitscentrales vragen een capaciteitsvergoeding, anders bergen ze hun plannen op.

Energiebeleid moet meer zijn dan improvisatie.

Een energiebeleid is complex, waarbij zowel de timing als de lange termijn belangrijk zijn. De scenaristen moeten continu zoeken naar een evenwicht tussen de prijs, de bevoorradingszekerheid en de ecologische impact. En naar het juiste perspectief: meer dan 80 procent van de media-aandacht gaat naar elektriciteit, terwijl er meer energie gaat naar verwarming en koeling dan naar stroom. Ze moeten ook de focus bewaren in de angst voor stroomtekorten en de uitdagingen om ons gebouwenpark, het transport en de industrie te vergroenen. De energiesector is een van de scharnieren van het klimaatbeleid. De vergroening van de stroomproductie is een absolute voorwaarde om de klimaatopwarming aan te pakken.

Dat lukt alleen met een duidelijke strategie. Na de kernramp in Fukushima besliste Duitsland zijn nucleaire centrales te sluiten. Dat soort strategische overwegingen wordt in ons land amper gemaakt. Dat wil niet zeggen dat we geen stappen in de goede richting zetten. Ondanks de oversubsidiëring vergroent ons stroomproductiepark. En zonder dat er ooit één regeringsbeslissing aan te pas kwam, zijn we een van de weinig Europese landen zonder kolengestookte elektriciteitscentrales.

Maar we laten veel kansen liggen. We willen dat alle bedrijfswagens elektrisch zijn tegen 2026, maar hebben nog geen idee hoe we voldoende laadpalen kunnen plaatsen. We staan amper een stap verder om de kerncentrales te vervangen. De uitdaging voor de ministers van Energie in ons land is gigantisch.

Het Vlaamse en Belgische energiebeleid van de jongste twintig jaar heeft het meest gemeen met improvisatietheater. De vernietiging van de regeling voor de terugdraaiende teller voor gezinnen met zonnepanelen is de zoveelste aflevering van dezelfde voorstelling. Het scenario is bijna altijd hetzelfde. Het begint met goede bedoelingen, die vertaald worden in ambitieuze doelstellingen. Het resultaat is dat België een van de landen is met de grootste kloof tussen de doelstellingen en het concrete beleid, concludeerde Hans Bruyninckx, directeur van het Europees Milieuagentschap al eerder. In het script staat voorts een tekort aan daadkracht, zeker als een beslissing stemmen kan kosten. Zelfs nu Engie Electrabel de investeringen in de levensduurverlenging van de twee jongste kerncentrales heeft geschrapt, zal de regering pas eind dit jaar de knoop over de sluiting doorhakken. Voor spanningsbogen zorgt een dogma her en der: de kernuitstap, de belofte dat de elektriciteitsfactuur zeker niet omhoog mag gaan of het rendement van zonnepanelen zeker niet omlaag. Tegenstrijdige adviezen en waarschuwingen worden genegeerd. De rode draad is een gebrek aan visie en een duidelijk plan van aanpak. Van de Pax Electrica's van Guy Verhofstadt tot het federale Energiepact van de regering-Michel: de tand des tijds hebben ze geen van alle doorstaan. Het gevolg is een voorstelling waar weinigen vrolijk van worden. Het draagvlak voor hernieuwbare energie krijgt klappen door discussies over de oversubsidiëring van eerst de zonnepanelen en later de offshore windenergie. Vlaanderen alleen al investeerde 30 miljard euro in hernieuwbare energie, met als resultaat ongeveer 20 procent groene elektriciteit. Twintig jaar na de liberalisering snakt de hele energiemarkt naar het overheidsinfuus. Bij de uitbaters van de kerncentrales moet een aangepast investeringskader het rendement vrijwaren. Investeerders in gasgestookte elektriciteitscentrales vragen een capaciteitsvergoeding, anders bergen ze hun plannen op. Een energiebeleid is complex, waarbij zowel de timing als de lange termijn belangrijk zijn. De scenaristen moeten continu zoeken naar een evenwicht tussen de prijs, de bevoorradingszekerheid en de ecologische impact. En naar het juiste perspectief: meer dan 80 procent van de media-aandacht gaat naar elektriciteit, terwijl er meer energie gaat naar verwarming en koeling dan naar stroom. Ze moeten ook de focus bewaren in de angst voor stroomtekorten en de uitdagingen om ons gebouwenpark, het transport en de industrie te vergroenen. De energiesector is een van de scharnieren van het klimaatbeleid. De vergroening van de stroomproductie is een absolute voorwaarde om de klimaatopwarming aan te pakken. Dat lukt alleen met een duidelijke strategie. Na de kernramp in Fukushima besliste Duitsland zijn nucleaire centrales te sluiten. Dat soort strategische overwegingen wordt in ons land amper gemaakt. Dat wil niet zeggen dat we geen stappen in de goede richting zetten. Ondanks de oversubsidiëring vergroent ons stroomproductiepark. En zonder dat er ooit één regeringsbeslissing aan te pas kwam, zijn we een van de weinig Europese landen zonder kolengestookte elektriciteitscentrales. Maar we laten veel kansen liggen. We willen dat alle bedrijfswagens elektrisch zijn tegen 2026, maar hebben nog geen idee hoe we voldoende laadpalen kunnen plaatsen. We staan amper een stap verder om de kerncentrales te vervangen. De uitdaging voor de ministers van Energie in ons land is gigantisch.