58 euro bruto. Dat is het bedrag waarmee het minimumloon volgens de vakbonden de komende zes maanden moet stijgen. Dat komt neer op een toename met 3,5 procent, tot 1712 euro bruto. Het interprofessioneel akkoord 2019-2020, dat begin dit jaar werd afgesloten, voorzag in een stijging met 1,1 procent. Maar de socialistische vakbond weigerde de cao voor de minimumlonen te ondertekenen.
...

58 euro bruto. Dat is het bedrag waarmee het minimumloon volgens de vakbonden de komende zes maanden moet stijgen. Dat komt neer op een toename met 3,5 procent, tot 1712 euro bruto. Het interprofessioneel akkoord 2019-2020, dat begin dit jaar werd afgesloten, voorzag in een stijging met 1,1 procent. Maar de socialistische vakbond weigerde de cao voor de minimumlonen te ondertekenen. Nu vragen de vakbonden een toename in twee fases: 1,1 procent in november en nog eens 2,4 procent in april 2020. De werkgevers vragen in ruil compensaties, meer bepaald de verlaging van de sociale bijdragen voor de lagere lonen, bijvoorbeeld die onder 1900 euro. Maar om dat te beslissen en te financieren, is een volwaardige federale regering nodig. Officieel is er trouwens nog geen echt akkoord daarover tussen de sociale partners, de discussie wordt nog gevoerd in de interprofessionele Groep van Tien. Het doet allemaal denken aan de oude gewoonte om een sociaal akkoord te vergemakkelijken met belastinggeld. Maar zowel de vakbonden als de werkgevers verdedigen hun houding in dit dossier. De werkgevers wijzen erop dat de Belgische minimumlonen in Europees perspectief al hoog zijn (zie tabel Belgisch minimumloon bij de hoogste in de EU) en dat de loonkosten met een toename van 3,5 procent opnieuw stijgen, wat de arbeidskansen van de laaggeschoolden beperkt. De vakbonden wijzen er dan weer op dat het minimumloon in België de voorbije jaren amper zijn gestegen. Sinds 2008 wordt het alleen nog maar geïndexeerd, waardoor het minimumloon steeds minder waard wordt. Dat stelt de socialistische vakbond ABVV in zijn recente sociaaleconomische barometer: "We merken dat het verschil tussen het minimumloon en het mediaanloon steeds groter wordt. Dat kunnen we uitdrukken met de Kaitzindex. Die geeft de verhouding weer tussen het minimumloon en het mediaanloon. Indien het minimumloon en het mediaanloon aan elkaar gelijk zijn, is de verhouding 1. Als het minimumloon maar een derde is van het mediaanloon, bedraagt de Kaitzindex 0,33. In België daalt de Kaitzindex al geruime tijd, nu tot 0,39. Het minimumloon wordt dus minder waard. In zeventien jaar ging het Belgische minimumloon er 8 procent op achteruit in vergelijking met het mediaanloon. In de rest van de OESO-landen zien we de omgekeerde beweging: minimumlonen komen er steeds dichter in de buurt van het mediaanloon." De econoom Ive Marx (Universiteit Antwerpen) reageerde op Twitter gepikeerd op de mogelijke deal die een hoger minimumloon compenseert met lastenverlagingen: 'Werkgevers kregen een serieuze lastenverlaging door de taxshift. Daarbovenop kwam een uitbreiding van de werkbonus. Vlaanderen gooit daar nog eens een jobbonus bovenop. Dat kost bakken geld. En dan gaan de sociale partners de minimumlonen verhogen en daar ook nog een compensatie voor vragen. Waar zijn mijn pillen?' Marx blijft bij zijn standpunt: "Ik denk dat het niet opportuun is het brutominimumloon te verhogen, aangezien de overheid al zoveel inspanningen doet om de lage lonen netto te verhogen. Dit is een ergerlijke discussie met de oude methodes, waarbij de factuur van een deal tussen de sociale partners wordt doorgestuurd naar de belastingbetaler." Op de laagste lonen zijn al weinig belastingen verschuldigd. Iemand met een brutoloon van 1700 euro, houdt daarvan netto 1523 euro over. Verdient diezelfde persoon bruto het dubbele (3400 euro), dan bedraagt zijn nettoloon 2125 euro. Of 600 euro netto extra op een brutoloonstijging van 1700 euro. Een andere opvallende vaststelling: er is veel aandacht voor het minimumloon, terwijl weinig Belgen aan dat loon werken: amper 130.000. In België verdient amper 0,4 procent van de werknemers minder dan 105 procent van het nationale minimumloon, leren Eurostat-cijfers. Dat is het laagste percentage van alle Europese lidstaten. Dat komt omdat de sectorale minimumlonen gemiddeld 25 procent hoger liggen dan het interprofessioneel minimumloon. "We hebben zowat de meest gecomprimeerde loonstructuur in Europa", zegt Marx. "Eigenlijk bestaat hier geen wettelijk vastgelegd minimum. De interprofessionele akkoorden leggen een loonvloer, maar de sectorale cao's trekken dat omhoog. Het gevolg is dat we in België nauwelijks laagbetaalde arbeid hebben. We zijn dan ook recordhouder in de ondertewerkstelling voor lagergeschoolden en migranten. Er moet dus een ander debat worden gevoerd dan de discussie over het minimumloon: waarom is er in België zo weinig laagbetaalde arbeid?" De OESO definieert laagbetaalde arbeid als een voltijdse baan waarmee je minder dan 67 procent van de mediaan verdient. In België gaat het om voltijds werkende mensen die grofweg minder dan 2050 euro bruto per maand verdienen, maar natuurlijk meer dan het minimumloon van 1655 euro. Volgens de OESO gaat het om zo'n 4 procent van de werknemers. In Nederland is dat bijna 15 procent en in Duitsland 18 procent. "Dat is echt een enorm verschil, en de verantwoordelijkheid ligt volgens mij bij het sociaal overleg", zegt Marx De OESO zegt al jaren dat onze sectorale minima te hoog zijn en dat ze een drempel zijn om aan te werven. Om de Belgische werkzaamheidsgraad (71 procent) op het niveau van die van Nederland en Duitsland te brengen (ongeveer 80 procent), dan moeten er 600.000 mensen meer aan de slag. De kloof situeert zich vooral bij de 55-plussers (300.000 banen verschil) en de lage lonen (200.000 banen). "Als we werklozen met weinig kwalificaties aan een baan willen helpen, dan moeten we lager betaald werk mogelijk maken", aldus Marx in een arbeidsmarktstudie die hij voor de denktank Itinera schreef. "In Nederland liggen de laagste cao-lonen dichter bij het minimumloon. In de jaren negentig dreigde Ad Melkert, toch een sociaaldemocratische minister, de cao's niet langer algemeen bindend te verklaren als de laagst afgesproken lonen niet dichter bij het minimumloon kwamen te liggen. Andere elementen die de meer laagbetaalde arbeid in Nederland verklaren, zijn meer deeltijdse banen en de soepelere regels voor weekend- en nachtwerk. Lagergeschoolden vinden vaker werk in Nederland. Dat is dan in sectoren zoals de horeca, de retail, persoonlijke dienstverlening en de zorg. Dat zijn sectoren waarin niet-standaardwerktijden een belangrijke rol spelen."