De voorbije jaren smeekten de westerse centrale banken om een scheut inflatie, nu worden ze onder de voet gelopen door een verrassend hoge inflatie. In het eurogebied is de onderliggende inflatie dubbel zo hoog als de doelstelling van 2 procent van de ECB, wat voorzitter Christine Lagarde geen andere keuze laat dan de monetaire teugels strakker aan te trekken.

De cruciale vraag is of de centrale banken een ' whatever it takes'-aanpak aandurven. Is de Amerikaanse centrale bank bereid de economie in een recessie te storten om de prijsstabiliteit te herstellen? Durft de ECB een beleid aan dat de inflatie moet breken, ook als het risico op een eurocrisis daardoor toeneemt? Zullen de centrale banken lijdzaam toekijken als de financiële markten onderuitgaan? Wordt de inflatiestrijd van de centrale banken er eentje van ' whatever it breaks'?

Durven de centrale banken in de strijd tegen inflatie een 'whatever it takes'-aanpak aan?

Op korte termijn moeten de centrale banken fors op de rem staan om hun geloofwaardigheid te herstellen en de stijgende inflatieverwachtingen in te dammen. Ze zijn al royaal laat op de afspraak, en hoe hoger de inflatie oploopt, hoe duurder het wordt om de inflatiegeest terug in de fles te krijgen. Een normalisatie van het geldbeleid is logisch en wenselijk, en dat mag een beetje pijn doen.

Maar op langere termijn is die houding moeilijk vol te houden. Het wordt in dat scenario lastig om de economie en de werkgelegenheid op te offeren op het altaar van de prijsstabiliteit. De westerse economie kan wellicht geen restrictief monetair beleid meer aan, of is niet bereid de gevolgen te dragen, met als resultaat laksere centrale banken en een wisselvalliger en structureel hogere inflatie. ' Whatever' zou weleens de nieuwe definitie van prijsstabiliteit kunnen worden.

De voorbije jaren smeekten de westerse centrale banken om een scheut inflatie, nu worden ze onder de voet gelopen door een verrassend hoge inflatie. In het eurogebied is de onderliggende inflatie dubbel zo hoog als de doelstelling van 2 procent van de ECB, wat voorzitter Christine Lagarde geen andere keuze laat dan de monetaire teugels strakker aan te trekken. De cruciale vraag is of de centrale banken een ' whatever it takes'-aanpak aandurven. Is de Amerikaanse centrale bank bereid de economie in een recessie te storten om de prijsstabiliteit te herstellen? Durft de ECB een beleid aan dat de inflatie moet breken, ook als het risico op een eurocrisis daardoor toeneemt? Zullen de centrale banken lijdzaam toekijken als de financiële markten onderuitgaan? Wordt de inflatiestrijd van de centrale banken er eentje van ' whatever it breaks'? Op korte termijn moeten de centrale banken fors op de rem staan om hun geloofwaardigheid te herstellen en de stijgende inflatieverwachtingen in te dammen. Ze zijn al royaal laat op de afspraak, en hoe hoger de inflatie oploopt, hoe duurder het wordt om de inflatiegeest terug in de fles te krijgen. Een normalisatie van het geldbeleid is logisch en wenselijk, en dat mag een beetje pijn doen. Maar op langere termijn is die houding moeilijk vol te houden. Het wordt in dat scenario lastig om de economie en de werkgelegenheid op te offeren op het altaar van de prijsstabiliteit. De westerse economie kan wellicht geen restrictief monetair beleid meer aan, of is niet bereid de gevolgen te dragen, met als resultaat laksere centrale banken en een wisselvalliger en structureel hogere inflatie. ' Whatever' zou weleens de nieuwe definitie van prijsstabiliteit kunnen worden.