De sociale partners komen maar niet tot een akkoord over een loonsverhoging in de sector van de dienstencheques, de gesubsidieerde poetshulp voor particulieren. De onderhandelingen liggen stil tot begin februari. De vakbonden vragen een brutoloonsverhoging van 1,1 procent. De werkgevers bepleiten een vorm van netto-opslag, omdat een brutoloonsverhoging een negatieve impact heeft op hun al beperkte marges. Die staan onder druk omdat de loonsverhogingen die al werden toegekend gedeeltelijk of niet werden doorgerekend in de subsidies - 14,02 euro per gepresteerd uur naast de 9 euro die de gebruiker betaalt - die de bedrijven ontvangen. Een herfinanciering via hogere subsidies kan het stelsel meer ademruimte geven, zeggen de sociale partners. Maar daar heeft de Vlaamse regering weinig zin in.

Dienstencheques zijn subsidies waard.

Het stelsel kost 1,3 miljard euro en is daarmee de duurste maatregel van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid. Toch blijft de subsidiëring gerechtvaardigd, omdat het systeem aanzienlijke terugverdieneffecten genereert. Een voltijdse dienstenchequejob kost gemiddeld 25.354 euro op jaarbasis aan de overheid, maar brengt 24.151 euro op, rekening houdend met de kwantificeerbare terugverdieneffecten. De werkloosheidsuitkeringen dalen en de sociale bijdragen en belastingen stijgen. Want de dienstenchequewerknemers zouden anders werkloos zijn of in het zwart werken.

Er zijn bovendien indirecte terugverdieneffecten omdat de gebruikers meer kunnen werken. Dankzij het gebruik van dienstencheques worden ongeveer 22.011 extra banen ingevuld in andere sectoren dan de dienstencheques. Mensen die een beroep doen op een poetshulp, presteren zelf meer uren. Dat zorgt voor extra overheidsinkomsten. De rekening voor de staatskas is niet voor 100 procent positief, maar de nettokostprijs van een van de weinige succesvolle manieren om laaggeschoolden in België aan de slag te krijgen, valt best mee.

De sociale partners komen maar niet tot een akkoord over een loonsverhoging in de sector van de dienstencheques, de gesubsidieerde poetshulp voor particulieren. De onderhandelingen liggen stil tot begin februari. De vakbonden vragen een brutoloonsverhoging van 1,1 procent. De werkgevers bepleiten een vorm van netto-opslag, omdat een brutoloonsverhoging een negatieve impact heeft op hun al beperkte marges. Die staan onder druk omdat de loonsverhogingen die al werden toegekend gedeeltelijk of niet werden doorgerekend in de subsidies - 14,02 euro per gepresteerd uur naast de 9 euro die de gebruiker betaalt - die de bedrijven ontvangen. Een herfinanciering via hogere subsidies kan het stelsel meer ademruimte geven, zeggen de sociale partners. Maar daar heeft de Vlaamse regering weinig zin in.Het stelsel kost 1,3 miljard euro en is daarmee de duurste maatregel van het Vlaamse werkgelegenheidsbeleid. Toch blijft de subsidiëring gerechtvaardigd, omdat het systeem aanzienlijke terugverdieneffecten genereert. Een voltijdse dienstenchequejob kost gemiddeld 25.354 euro op jaarbasis aan de overheid, maar brengt 24.151 euro op, rekening houdend met de kwantificeerbare terugverdieneffecten. De werkloosheidsuitkeringen dalen en de sociale bijdragen en belastingen stijgen. Want de dienstenchequewerknemers zouden anders werkloos zijn of in het zwart werken. Er zijn bovendien indirecte terugverdieneffecten omdat de gebruikers meer kunnen werken. Dankzij het gebruik van dienstencheques worden ongeveer 22.011 extra banen ingevuld in andere sectoren dan de dienstencheques. Mensen die een beroep doen op een poetshulp, presteren zelf meer uren. Dat zorgt voor extra overheidsinkomsten. De rekening voor de staatskas is niet voor 100 procent positief, maar de nettokostprijs van een van de weinige succesvolle manieren om laaggeschoolden in België aan de slag te krijgen, valt best mee.