De loononderhandelingen in de sector van de dienstencheques, het systeem van gesubsidieerde poetshulp, zitten op een dood spoor. De vakbonden eisen 1,1 procent meer loon boven op de indexering, de werkgevers willen bij monde van hun sectorfederatie Federgon alleen een eenmalige premie van 130 euro geven.

De dienstenchequebedrijven willen niet dat hun winstmarges verder worden aangetast. De rendabiliteit van de sector staat onder druk. De prijs van een dienstencheque bedraagt voor de gebruiker 9 euro per uur. De overheid legt daar per uur een subsidie van 14 euro bij. Dat is volgens de sector niet voldoende om de kosten van de dienstencheques op te vangen.

De prijzen van de dienstencheques kunnen gerust nog wat stijgen.

Een oplossing kan zijn de prijzen voor de gebruiker te verhogen, waardoor de lonen ook omhoog kunnen. Hier is er nog marge. Een cheque kost 9 euro en na verrekening van het fiscale voordeel zelfs maar 6,3 euro (straks stijgt dat wel naar 7,2 euro). Dat is nog altijd minder dan de kostprijs van gemiddeld 12 euro voor een poetshulp die in het zwart werkt. De prijzen van de dienstencheques kunnen gerust nog wat stijgen zonder de markt te verstoren. Volgens Federgon kan men de prijsstijgingen aan de index koppelen. Stijgen de lonen, dan moet ook de prijs van een cheque omhoog.

Zo'n aanpak garandeert het voortbestaan van de 140.000 banen in de sector. In de discussie wordt vaak vergeten dat het systeem van de dienstencheques een van de weinige succesvolle manieren is om laaggeschoolden aan een baan te helpen. Ook al blijkt uit onderzoek dat 50 procent van de poetshulpen gemiddeld geschoold zijn en 40 procent echt laaggeschoold, dan nog is dat laatste percentage hoog voor een moeilijk te activeren groep. Bovendien worden de poetshulpen uit het zwarte circuit gehaald en bouwen ze nu sociale rechten op.