Wie beweert dat de regering-Michel geen grondige pensioenhervormingen heeft doorgevoerd, doet de waarheid geweld aan. Zo is de minimumleeftijd voor het vervroegd pensioen opgetrokken van 61 naar 63 jaar en is het brugpensioen verstrengd, waardoor de norm 62 jaar is. Ook is beslist dat de wettelijke pensioenleeftijd wordt opgetrokken tot 66 jaar in 2025 en tot 67 jaar in 2030. Dat heeft een belangrijk psychologisch effect: de Belgen weten dat ze langer moeten werken.
...

Wie beweert dat de regering-Michel geen grondige pensioenhervormingen heeft doorgevoerd, doet de waarheid geweld aan. Zo is de minimumleeftijd voor het vervroegd pensioen opgetrokken van 61 naar 63 jaar en is het brugpensioen verstrengd, waardoor de norm 62 jaar is. Ook is beslist dat de wettelijke pensioenleeftijd wordt opgetrokken tot 66 jaar in 2025 en tot 67 jaar in 2030. Dat heeft een belangrijk psychologisch effect: de Belgen weten dat ze langer moeten werken. Ondertussen zijn ook maatregelen aangekondigd voor de hervorming van de ambtenarenpensioenen, zoals het aanpassen van de loopbaanbreuken (die het mogelijk maakten vroeger dan na een loopbaan van 45 jaar te vertrekken) en het afbouwen van het ziekteverlof (ambtenaren kunnen aan het einde van hun loopbaan niet-gebruikte ziektedagen opnemen).De regering-Michel heeft nog niet dé grote pensioenhervorming doorgevoerd, maar dat is voor de vakbonden blijkbaar al genoeg om moord en brand te schreeuwen. Vandaag vindt de zoveelste betoging tegen het pensioenbeleid van de regering aan. Dat vakbondsprotest is onbegrijpelijk. De pensioenuitdagingen zijn al decennia bekend, en toch bleef het beleid al die jaren ondermaats. Elke maatregel die kan bijdragen tot de betaalbaarheid van het pensioensysteem, is welkom. Zo worden de volgende generaties met gigantische facturen opgezadeld. Wijlen Luc Coene zei het ooit in zijn hoedanigheid van gouverneur van de Nationale Bank: "Stakers zeggen tegen hun kinderen: jullie kunnen de pot op."Inderdaad. De cijfers liegen niet: de vergrijzingskosten zullen tegen 2040 met 12,8 procent van het bruto binnenlands product (bbp) stijgen, wat overeenkomt met een extra kostprijs van 2,3 procent van het bbp. In vijftien jaar moet bijna 10 miljard euro worden gevonden. Dat probleem kunnen we niet aanpakken door een reeks kleine ingrepen. Er zijn grote pensioenhervormingen nodig.De voorwaarden voor het vervroegd pensioen en het brugpensioen (of SWT, stelsel van werkloosheid met bedrijfstoeslag) zijn de voorbije jaren aanzienlijk verstrengd. Een goede zaak. Het aantal bruggepensioneerden daalt gestaag. Nu zijn er nog zo'n 80.000. Een paar jaar geleden schommelde het aantal nog rond 100.000. Het probleem is echter dat er slechts 7000 bruggepensioneerden zich nog beschikbaar moeten stellen voor de arbeidsmarkt. Dat aantal zal de komende jaren wel stijgen, maar het blijft ondermaats.De minimumleeftijd voor het brugpensioen bedraagt nu 62 jaar (of 60 jaar bij zwaar werk of na een lange loopbaan), maar bij herstructureringen is een uittrede op 57 of 58 jaar nog altijd mogelijk. Veel te vroeg dus. Vandaar dat het stelsel versneld moet uitdoven. Het is een van de manier om de werkzaamheidsgraad van de 55-plussers (47,7% in 2017) eindelijk op te trekken richting 60 procent en meer, zoals in Nederland en Frankrijk het geval is.Het VBO kwam vandaag met relevante cijfers over de noodzaak van langere loopbanen: de effectieve uittredeleeftijd is vandaag 60 jaar, de effectieve loopbaanduur 32 jaar, tegenover respectievelijk 64 en 48 jaar in 1950. De levensverwachting was toen 68 jaar, tegenover 82 jaar nu. De regering-Michel werkt aan de geleidelijke afbouw van de zogenoemde gelijkgestelde periodes. Gelijkgestelde periodes zijn dagen waarop iemand niet werkt, maar die voor de pensioenberekening toch als gewerkte periodes worden beschouwd. Het intussen volledig afgeschafte niet-gemotiveerde tijdskrediet (een periode niet werken om bijvoorbeeld een wereldreis te maken) telt sinds 2015 niet meer mee voor de pensioenopbouw. Bepaalde periodes van werkloosheid wegen voortaan ook minder zwaar in de berekening van het pensioen.Maar de band tussen werk en pensioenuitkering blijft in België nog altijd te zwak. Van de mannelijke werknemers die met pensioen gaan, bestaat 30 procent van de loopbaan uit gelijkgestelde periodes. Bij de vrouwen is dat 37 procent. Bij de zelfstandigen bedragen de gelijkgestelde periodes 3 procent van de loopbaan bij de mannen, en 5 procent bij de vrouwen. Drie kwart van de 60- tot 64-jarigen kunnen aanspraak maken op gelijkgestelde periodes. Dat gunstregime is niet langer houdbaar. Het stelsel van de gelijkgestelde periodes moet dus versneld worden afgebouwd.In België zijn de pensioenuitkeringen van de werknemers geplafonneerd. Dat wel zeggen dat een inkomen boven een bepaalde grens niet meer wordt meegeteld voor de berekening van het pensioen. Wie meer verdient dan ongeveer 4200 euro bruto per maand, betaalt op dat bedrag wel sociale bijdragen, want die zijn niet beperkt. Dat loon boven 4200 euro wordt niet meegerekend in de berekening van het pensioen.Dat is een aantasting van het verzekeringsprincipe in het pensioenstelsel en het ondermijnt de legitimiteit van het systeem. Met als gevolg dat veel werknemers met een hoger loon kiezen voor het minder dure systeem van zelfstandige, en een steeds kleinere groep werknemers het eigen pensioenstelsel moet financieren. Dat is niet houdbaar. Daarom dringt een plafonnering van de sociale bijdragen zich op. Het zal meer Belgen in het werknemersstelsel houden. Ook moet de plafonnering van de uitkeringen worden afgeschaft. Dat kost geld, maar het versterkt wel de band tussen loon, loopbaan en uitkering. Het is dus een impuls om langer te werken.De pensioenen van de ambtenaren stijgen sneller dan die van werknemers en zelfstandigen. Reden: de ambtenarenpensioenen stijgen niet alleen met de inflatie, maar volgen ook de reële loonstijging in de sector. Dat voordeel is niet meer van deze tijd, net zoals het feit dat het ambtenarenpensioen nog altijd wordt berekend op basis van het loon van de laatste tien dienstjaren (en niet op basis van het loon over de hele loopbaan). De redenering dat het om een uitgesteld loon gaat, klopt niet. Ten eerste is er amper nog verschil in loon tussen de privésector en de overheid. En door de hogere levensverwachting neemt de impliciete waarde van een ambtenarenpensioen aanzienlijk toe. Het is ook bij de ambtenaren dat de pensioenlast de voorbije jaren enorm zwaar is beginnen wegen. Slechts 19 procent van de gepensioneerden was ambtenaar, maar zij krijgen wel 36 procent van het pensioenbudget.