1. De werkzaamheidsgraad stijgt, maar blijft internationaal bekeken laag

Onder de regering-Michel kwamen er in België meer dan 316.000 banen bij. Dat vertaalt zich volgens de OESO duidelijk in de toename van de werkzaamheidsgraad. In 2014 was ongeveer 63 procent van de 15- tot 65-jarigen in ons land aan de slag, ondertussen is dat meer dan 66 procent. Maar om landen zoals Nederland en Duitsland bij te benen is een Zweedse regering II, III en IV nodig. In onze buurlanden bedraagt de werkzaamheidsgraad onder 15- tot 65-jarigen meer dan 75 procent.

2. Het aantal atypische banen bedraagt amper 10 procent

Critici van het beleid stellen vaak dat er vooral onzekere, tijdelijke en flexibele banen bij zijn gekomen. In dat debat werden vaak een aantal termen door elkaar gehaald. Zo worden flexi-jobs afgeschilderd als de enige baan van de mensen die in dat circuit werken. Dat klopt niet: het zijn nauwelijks belaste extra banen, onder meer in horeca, voor wie deeltijds werkt of gepensioneerd is. De niet-klassieke werkgelegenheid in België - waaronder tijdelijke banen en uitzendarbeid - bedraagt amper 10 procent van het totaal. Dat is ongeveer evenveel als in 2007.

Het verschil met andere EU-landen valt op. De atypische werkgelegenheid in Nederland is goed voor 22 procent van het totaal. In Spanje en Portugal is dat meer dan 25 procent. Het verhaal van de onzekere Belgische nepjobs klopt dus niet.

3. Werklozen zijn vooral langdurig werklozen

In België heeft de helft van de werklozen al meer dan een jaar geen baan meer. Dat is een relatief hoog percentage. Het OESO-gemiddelde bedraagt amper 30 procent. Dat is een gevolg van de nog altijd rigide Belgische arbeidsmarkt, waarbij de insider-outsidertheorie volop opgaat: wie een baan heeft, is verzekerd van een aantrekkelijk loon, maar voor wie zich op de arbeidsmarkt wil begeven, zijn er veel hinderpalen.

De OESO wijst onder meer op de nog altijd bestaande werkloosheidsvallen - vooral voor alleenstaanden met kinderen - die maken dat het financiële voordeel om van de werkloosheid over te stappen naar een baan beperkt blijft. Ook de hoge lasten op arbeid spelen daarin een rol.

4. Werklozen ontvangen in België langer een uitkering dan in andere landen

Aansluitend bij punt 3: Belgische werklozen krijgen langer een uitkering dan werklozen in andere EU-landen. Meer dan de helft van de werklozen ontvangt al langer dan een jaar een uitkering. Dat is een stuk meer dan het EU-gemiddelde: 25 procent. Een belangrijke oorzaak is dat in België werkloosheidsuitkeringen onbeperkt zijn in de tijd. De OESO pleit in haar rapport niet voor een beperking in de tijd, maar de instelling is wel voorstander van een herziening van het stelsel.

5. Beschermde sectoren bedreigen arbeidsmarkt en groei

Een van de aanbevelingen die de OESO al jaren aan België meegeeft, heeft betrekking op de bescherming van een aantal product- en dienstenmarkten. De barrières op die markten moeten volgens de OESO verder worden weggewerkt. Onder meer de toegang tot beroepen zoals accountant, advocaat en architect is in België veel strenger geregeld dan in andere landen. Die beschermde sectoren belemmeren een goede werking van de arbeidsmarkt en fnuiken de groei.

Onder de regering-Michel kwamen er in België meer dan 316.000 banen bij. Dat vertaalt zich volgens de OESO duidelijk in de toename van de werkzaamheidsgraad. In 2014 was ongeveer 63 procent van de 15- tot 65-jarigen in ons land aan de slag, ondertussen is dat meer dan 66 procent. Maar om landen zoals Nederland en Duitsland bij te benen is een Zweedse regering II, III en IV nodig. In onze buurlanden bedraagt de werkzaamheidsgraad onder 15- tot 65-jarigen meer dan 75 procent.Critici van het beleid stellen vaak dat er vooral onzekere, tijdelijke en flexibele banen bij zijn gekomen. In dat debat werden vaak een aantal termen door elkaar gehaald. Zo worden flexi-jobs afgeschilderd als de enige baan van de mensen die in dat circuit werken. Dat klopt niet: het zijn nauwelijks belaste extra banen, onder meer in horeca, voor wie deeltijds werkt of gepensioneerd is. De niet-klassieke werkgelegenheid in België - waaronder tijdelijke banen en uitzendarbeid - bedraagt amper 10 procent van het totaal. Dat is ongeveer evenveel als in 2007. Het verschil met andere EU-landen valt op. De atypische werkgelegenheid in Nederland is goed voor 22 procent van het totaal. In Spanje en Portugal is dat meer dan 25 procent. Het verhaal van de onzekere Belgische nepjobs klopt dus niet.In België heeft de helft van de werklozen al meer dan een jaar geen baan meer. Dat is een relatief hoog percentage. Het OESO-gemiddelde bedraagt amper 30 procent. Dat is een gevolg van de nog altijd rigide Belgische arbeidsmarkt, waarbij de insider-outsidertheorie volop opgaat: wie een baan heeft, is verzekerd van een aantrekkelijk loon, maar voor wie zich op de arbeidsmarkt wil begeven, zijn er veel hinderpalen. De OESO wijst onder meer op de nog altijd bestaande werkloosheidsvallen - vooral voor alleenstaanden met kinderen - die maken dat het financiële voordeel om van de werkloosheid over te stappen naar een baan beperkt blijft. Ook de hoge lasten op arbeid spelen daarin een rol.Aansluitend bij punt 3: Belgische werklozen krijgen langer een uitkering dan werklozen in andere EU-landen. Meer dan de helft van de werklozen ontvangt al langer dan een jaar een uitkering. Dat is een stuk meer dan het EU-gemiddelde: 25 procent. Een belangrijke oorzaak is dat in België werkloosheidsuitkeringen onbeperkt zijn in de tijd. De OESO pleit in haar rapport niet voor een beperking in de tijd, maar de instelling is wel voorstander van een herziening van het stelsel.Een van de aanbevelingen die de OESO al jaren aan België meegeeft, heeft betrekking op de bescherming van een aantal product- en dienstenmarkten. De barrières op die markten moeten volgens de OESO verder worden weggewerkt. Onder meer de toegang tot beroepen zoals accountant, advocaat en architect is in België veel strenger geregeld dan in andere landen. Die beschermde sectoren belemmeren een goede werking van de arbeidsmarkt en fnuiken de groei.