Vijftig jaar geleden ging de Apollo 11-missie van start. De tijd heeft een dikke laag nostalgie gelegd op de eerste maanlanding. In ons collectieve geheugen was het een tijd waarin we nog collectief durfden te dromen en tot grootse dingen in staat waren. Niets is minder waar. Zowel de politiek, de academische wereld als de bevolking twijfelde of het wel zo'n goed idee was zo snel mogelijk een mens op de maan te krijgen. Er was in de jaren zestig bij de Amerikaanse bevolking helemaal geen draagvlak, de favoriete uitdrukking van onze politici om geen beslissingen te moeten nemen. Een artikel op de website van het maandblad The Atlantic herinnerde in 2012 al aan de forse tegenstand. Behalve dicht bij de eerste maanlanding bleek uit opiniepeilingen steevast dat een meerderheid van de ondervraagde Amerikanen vond dat de Verenigde Staten te veel geld uitgaven aan hun ruimtevaartprogramma. In plaats van enkele mensen de ruimte in te schieten, kon de overheid met een fractie van die middelen bijvoorbeeld de enorme armoede in het land aanpakken. De cijfers waren hallucinant: het Apollo-programma kostte rond de 25 miljard dollar (door inflatie zou dat nu 180 miljard dollar zijn). Het programma stelde op zijn hoogtepunt een klein half miljoen mensen te werk, maar dat had te weinig impact op de inkomens van arme Amerikanen, zwarten en andere minderheden in het bijzonder.

Kennedy twijfelde

Ook in de academische wereld was er tegenstand. Het Apollo-programma slorpte te veel onderzoeksbudgetten en talent op. En in het uitstekende The Heavens and The Earth maakte de historicus Walter McDougall een einde aan de mythe van president John Kennedy als ruimtevaartenthousiasteling. Kennedy beloofde in 1961 dat de Verenigde Staten voor het einde van het decennium een Amerikaan op de maan zouden krijgen. Maar in de jaren vooraf twijfelde ook hij aan het nut om zich met man en macht op een enorm ruimtevaartprogramma te storten. Verschillende rapporten toonden keer op keer aan dat de technologie nog niet rijp was en het enorme prijskaartje misschien kon worden terugverdiend met economische groei. Kennedy ging pas overstag toen zijn minister van Defensie een studie toonde dat de Amerikaanse luchtvaartindustrie massaal mensen zou moeten ontslaan als er geen nieuwe overheidsmaatregel kwam om de sector te ondersteunen.

De maanlanding was plat protectionisme en niet zo populair.

Kennedy was minder idealistisch over de ruimte dan hoe wij hem nu herinneren. Met het Apollo-programma probeerde hij verschillende problemen tegelijk op te lossen. Hij duwde zijn Republikeinse tegenstanders in het defensief. Die konden moeilijk oppositie voeren tegen een maatregel om de wedloop met de Russen in de ruimte te winnen. Door de lancering van de eerste satelliet Spoetnik in 1957 door de Sovjet-Unie, waren Amerikaanse politici doodsbang om te worden afgeschilderd als beleidsmakers die de technologische en dus militaire voorsprong van de Verenigde Staten verkwanselden. Kennedy kon door het enorme prijskaartje van het Apollo-programma op zijn minst een cruciale sector als de luchtvaartindustrie overeind houden. Hij gokte erop dat het voor extra economische groei zou zorgen die de armoede en de grote sociale spanningen in zijn land zou verminderen. Die gok draaide niet goed uit, de Verenigde Staten zouden bijna twintig jaar enorm turbulente spanningen beleven, onder meer door de Vietnamoorlog.

Terugverdieneffecten

Je kunt eindeloos discussiëren of het Apollo-programma wel al dat geld en die mankracht waard was, zeker in het licht van de strijd tegen armoede of kanker. Maar het Apollo-programma heeft de technologische voorsprong van de Verenigde Staten wel enorm uitgebouwd. Het Amerikaanse ruimtevaartagentschap NASA gaat er prat op de technologische terugverdieneffecten te benadrukken. Het Apollo-programma heeft ons ordinaire zaken als velcro-plakkers en teflon opgeleverd, maar de grootste verdienste is wellicht de bijdrage aan de computerindustrie. De eerste computers namen hele kamers in die onmogelijk in raketten en ruimtecapsules pasten. Daarom steunde de Amerikaanse overheid massaal onderzoekers en bedrijven die werkten aan manieren om compactere computers te maken. Het moderne Silicon Valley met zijn techgiganten zou er misschien nooit gekomen zijn. De huidige techgiganten zijn schatplichtig aan Fairchild Semiconductor, dat in de jaren vijftig en zestig bijna exclusief voor de Amerikaanse overheid werkte. Voor het Apollo-programma maakte het bedrijf de voorloper van de moderne computerchip en het legde daarmee het fundament voor de dominantie van Amerikaanse techbedrijven in het Westen. Pas nu krijgt de Amerikaanse techsector met Alibaba, Tencent andere Chinese techgiganten tegenstanders van formaat.

Haters gonna hate

Een nuchtere terugblik op de maanlanding stelt de huidige impasse rond de klimaatverandering en andere enorme uitdagingen in een ander perspectief. De maatschappij was toen ook verdeeld en wie we zien als visionaire politici waren in werkelijkheid evenzeer politici die de volgende verkiezingen wilden winnen. Maar dat hoeft geen drama te zijn. Het kortzichtige protectionisme van Kennedy leverde de Verenigde Staten de machtigste techbedrijven ter wereld op, naast natuurlijk de mijlpaal van de eerste maanlanding. "We kiezen om naar de maan te gaan, niet omdat dat gemakkelijk is, maar net omdat het moeilijk is", is de befaamde uitspraak van president John Kennedy. Politici moeten ermee leven dat zelfs de meest hoogdravende retoriek en idealistische doelen geen meerderheid zal overtuigen om massale inspanningen goed te keuren. Zoals de ondergewaardeerde popzangeres Taylor Swift het treffend verwoordt: "Haters gonna hate, hate, hate, hate, hate."